NIELS EN VINCENT BESTAAN 10 JAAR

maandag 20 december 2004

TOCH NOG 50 PROCENT

De brillenkeizer schotelde me een aantal monturen voor. Els en ik waren in verschillende brillenpaleizen geweest, en we hadden de moed al een beetje opgegeven. Welke bril ik ook opzette, steeds trok ik er hetzelfde onzekere gezicht bij. (Ik ben bijvoorbeeld ook heel slecht in kleren passen. Mijn houding is zelden zo onnatuurlijk als wanneer ik een nieuwe broek pas. Of een nieuwe trui. Mijn motoriek ontsnapt me op zulke momenten.) Ik heb ook eigenlijk geen mening over brilmonturen. Ik zeg: een bril moet niet opvallen. Ik zeg: een bril is een bril is een bril. Ik zeg: ik zie wel dat jullie hier tweeduizend verschillende monturen aan de wand hebben hangen, maar hoe kom ik er ooit achter welke bril bij mij past?

En toen nam Els me dus mee naar de brillenkeizer. Die had geen brillen aan de wand hangen. Bij hem lagen ze in laden. Veel laden. De ene la na de andere werd opengetrokken. Ik zei hem: 'Ik zie werkelijk geen verschil tussen al die brillen. Ik heb geen voorkeur. Zolang-ie maar niet te veel opvalt.' Alle onopvallende brillen werden apart gelegd. Soms liet de brillenkeizer zien hoe ver de pootjes wel niet konden buigen. Heel ver. Ze leken wel van rubber. 'Dit zijn heel lichte modelletjes,' zei hij. 'Ja...' sprak ik in verwondering.

We namen plaats. Ik zette een bril op mijn neus en keek ernaar in de spiegel. Vervolgens keek ik wat hulpeloos naar Els. Volgende bril. Kijken in de spiegel. Hulpeloos kijken naar Els. Volgende bril. Etc.

De bril waarvan Els me zei: 'Die staat je goed', die kwam nog een keer voorbij. Toen de brillenkeizer hem me voor de tweede keer aangaf, zette ik hem op en zag ik een geheel nieuwe bril. Maar Els prikte erdoorheen en zei: 'Dat is de bril die je net ook op had. Die staat je goed.' Daar moest de brillenkeizer hartelijk om lachen. Het was een trucje van hem. Een gebbetje. Een handigheidje.

De brillenkeizer deed me denken aan Marc, de baas voor wie ik werkte toen ik in mijn tienerjaren was. De brillenkeizer vroeg: 'Waarom twijfel je zo? Wat houdt je tegen? Je voelt je op je gemak, niet? Is dit niet fijn zo?' Ik moest denken aan die keer dat Marc me aansprak tijdens mijn werk, begin jaren negentig, en dat hij me vroeg: 'Waarom ga je niet eens met me mee naar de kermis? Wie houdt je tegen? Ik betaal.'

We kozen het montuur. Al dat getreuzel, wie heeft er wat aan. Dus we liepen naar de kelder, waar de meetapparatuur opgeslagen stond. 'Jij hebt een lui oog, niet?' vroeg de brillenkeizer. 'Ja...' stamelde ik, 'ja... toen ik zes was, zeiden ze dat.' 'Werd dat oog wel eens afgeplakt?' 'Soms, ja... ik was zes. Ik had er niet veel over te zeggen. Ze plakten er gewoon een pleister overheen.' 'Dat rechteroog van jou, dat staat wel leuk, maar echt een functie heeft het waarschijnlijk niet, hè? Je ziet er misschien een beetje diepte mee, maar dat is het wel. Je linkeroog doet al het werk. Ik geef je 10 procent. Hooguit 20.'

De meting was me wat. Er werd met een machine in mijn oog geblazen. Ik moest letters oplezen en onderscheiden. De C, de O en de G lijken erg op elkaar. De K en de X ook. Soms stonden de tranen me in de ogen. Na afloop zei de brillenkeizer: 'Je rechteroog haalt toch nog 50 procent. Het valt alleszins mee.' 'En jij dacht dat ik het alleen voor de sier had,' grapte ik voorzichtig tegen Els.

'Volgende week is je nieuwe bril klaar. Dan krijg je een kaartje van ons,' zei de brillenkeizer. 'Maar eerst poets ik je oude bril nog even op.' En weg was hij. Terwijl ik rustig afwachtte, dwaalde ik een beetje af, en ineens zag ik Marc en mij weer voor me. Ik was 17. We zaten samen in zo'n kermisattractie waarbij alles je duizelt. Op een zondagmiddag. Op een verlaten plein. Eigenlijk moest ik nog een paar uur muziekgegevens invoeren in een computer. Maar ja.

V.

0 Comments:

Een reactie plaatsen



<< Home