zondag 13 november 2005

DE SHUFFLEFUNCTIE (WEDEROM)

Laten we weer eens interactief zijn! Laten we de boel op shuffle zetten! Laten we volstrekt willekeurige toptienlijstjes plaatsen bij de comments! We deden het eerder, en we doen het gewoon weer! En laten we uitroeptekens plaatsen! Ja, uitroeptekens! O, uitzinnige vreugde! O, bron van plezier!

Wat ik maar wil zeggen: ik zal hier, zonder enige noemenswaardige beïnvloeding mijnerzijds, de eerste tien liederen opschrijven die mijn iPod afspeelt als ik de shufflefunctie inschakel. Doen jullie mee? (Wie geen iPod heeft, mag ook zijn eerste tien mp3-liederen noteren. Of de eerste tien in WMP, wat kan jou het schelen!)

Daar ga ik dan:

1 G. Love & Special Sauce, 'Baby Got Sauce'
2 Matthews' Southern Comfort, 'Woodstock'
3 Ben Folds, 'Trusted'
4 Pearl Jam, 'Elderly Woman behind the Counter in a Small Town'
5 The Kinks, 'Tired of Waiting for You'
6 D'Angelo, 'Brown Sugar'
7 Blur, 'To the End'
8 Paul Weller, 'You Do Something to Me'
9 The Shins, 'Those to Come'
10 Foo Fighters, 'Walking after You'

En nu jij!

V.

donderdag 10 november 2005

EX-VRIENDINNETJE A. ZOEKT WOONRUIMTE TE A.

Vincent: Zoek jij nu nog woonruimte in Amsterdam? (Ik heb niets, hoor, maar ik vroeg me dat af.)
Arlette: Oh, ik dacht: yeah!!! Maar ja, ik zoek nog.
Vincent: Nou, wat ik bedacht: zal ik anders een advertentie plaatsen op die prachtsite van me? Dan heb je toch nog iets aan me. We hebben tegenwoordig zo'n 300 bezoekers per dag.
Arlette: Ja, als je wilt.
Vincent: Vermeld dan hier en nu alles wat je in die advertentie wilt hebben. Dan plaats ik dit gesprek gewoon, ha.
Arlette: Ik zoek een zo zelfstandig mogelijke ruimte tot ong. 400-500 euro inclusief. Kun jij dat mooi verwoorden?
Vincent: Lang niet zo mooi als jij dat kunt. En wat kan ik over jou schrijven?
Arlette: Leuke dame die in het toerisme werkt zoekt... hahaha. Nee, dat ik leuk werk hier in de buurt heb gevonden en nu op zoek ben naar passende woonruimte.
Vincent: Ik wilde je 'ex-vriendinnetje A.' noemen. Maar dit is ook wel wat.
Arlette: Zal ik het zo even typen?
Vincent: O, en waar kunnen ze evt. reacties heen sturen? Gewoon naar de mail van mijn site?
Arlette: Ja, dat kan. Kun jij dat dan doorsturen?
Vincent: Ja, wat dacht je. Nu, ik ga even dit gesprek plaatsen.
Arlette: Nee!
Vincent: Tsk.
Arlette: Doe 't even leuk.
Vincent: Ja, maar dit ís juist leuk en spontaan. Of heb je iets gênants gezegd?
Arlette: Weet ik niet?
Vincent: Nee, dat heb je niet. Ik zeg het je. Je komt uiterst enthousiast en welbespraakt over.
Arlette: Dankjewel. Nou, ik ben benieuwd.

Samengevat: Arlette (26 jr.) zoekt zo spoedig mogelijk woonruimte in Amsterdam! Als je iets hebt of weet: mail Niels en Vincent!

(En een comment plaatsen hier kan natuurlijk ook.)

V.

dinsdag 8 november 2005

DE TOTALE WAANZIN VAN DE SPAANSE TELEVISIE (II)

Soms is geen tekst stoerder.

N.

maandag 7 november 2005

O, HEERLIJKE NIEUWE WERELD

Wij hadden het vroeger anders ook niet gemakkelijk. Ik spreek van de jaren tachtig, en eigenlijk ook wel van de jaren negentig, toen we met z’n allen maar een beetje over straat liepen te zwalken. Kansarm, dat waren we, en doelloos. Het waren barre tijden en het leek nooit meer beter te worden. Soms kreeg een van ons het te kwaad en schoten de tranen in zijn ogen, maar dan zei een ander weer: ‘Kop op, joh. Trek het je niet zo aan.’ Want als we met z’n allen waren, dan huilden we niet. Dan lieten we ons niet kennen. Wel lieten we soms een fietsventieltje leeglopen, gaven we willekeurige voorbijgangers het boze oog of trapten we een bal in andermans tuin. Want kansarm, dat waren we, en doelloos, dat ook. En we hadden het niet gemakkelijk. Vroeger. En dan doe je wel eens iets wat niet helemaal door de beugel kan. Kauwgom onder tafels plakken. Propjes naar onderwijzers schieten. Aanbellen bij iemand en dan heel hard wegrennen. Man, wat waren we kansarm. Sommigen onder ons waren zó kansarm en doelloos dat ze aan een studie Nederlandse letterkunde begonnen. Maar hoe we ook in de put zaten met z’n allen en hoe bewolkt het soms ook was in onze hoofden, er was één ding dat we nóóit deden: auto’s in de fik steken.

Maar ja, dat is het nu net: iemand moet er wel óp komen natuurlijk. Je hoeft het bij wijze van spreken alleen maar te verzinnen. Want ik zie ons gewoon weer lopen, over die straten, en we merkten wel eens een losse tegel op, maar we hadden geen idee wat we ermee moesten beginnen, en niemand had ooit eens een jerrycan en een aansteker bij zich, want onze ouders vonden dat ‘geen goed idee’, dus dan lieten we het maar. Ik zeg het je: als ook maar één van ons op het lumineuze idee was gekomen... o, de mogelijkheden! Want auto’s, die vind je overal. En een doosje lucifers, tjonge, hoeveel kost een doosje lucifers nu helemaal? We waren dan wel kansarm en al, maar allemachtig, een doosje lucifers kon er heus wel van af. Wie er anders over denkt, wil ik wel even mee naar buiten nemen. Praten we even verder.

En nu, zo veel jaar later, weet je niet anders. Het is haast routine geworden. Op weg naar de Grote Uitgeverij vanmorgen stak ik bijvoorbeeld 14 auto’s in de fik. Net zo makkelijk. Maandagochtendsleur, jullie kennen het. Ik had behoefte aan een verzetje. En toen ik de afdeling op stapte en daar mijn collega aantrof, die me trots vertelde dat ze dit weekend 83 auto’s in de fik had gestoken, knapte er iets in me. Ik werd er zelfs zó toornig om dat ik, hopsakee, de straat weer op liep om de stand enigszins gelijk te krijgen. Want als ik ergens een hekel aan heb, is het de competitiedrang van sommige mensen om me heen. En de aantallen, hè, die gaan ook tellen. Die doen ertoe. Je begint met 1 auto, en sommigen denken: als je 1 auto in de fik steekt, ken je het wel, maar zo zit het dus niet. Ik begon bijvoorbeeld – maar nu spreek ik van een tijd terug, hoor – vooral in de buitenwijken, in afgelegen zones, in de suburbs, zeg maar, maar op den duur is dat dus echt niet meer genoeg. Dan pak je de binnenstad gewoon even mee. Dan houdt niemand je nog tegen. Dan gaat men voor je opzij. Dan zegt men: ‘Wacht even, dan stap ik mijn auto wel uit. Gaat u gerust uw gang.’

In de middagpauze waren we met z’n allen al zó opgefokt dat we alle auto’s op de gracht in de fik staken. Je krijgt er op den duur ook lol in, hoor, moet ik zeggen. Bij de eerste 100 houden we bijvoorbeeld altijd een vreugdevuurtje. Dan maken we een dansje. Dan zingen en springen we. Er is gelukkig weinig voor nodig om ons weer helemaal wóest te krijgen. Ik heb bijvoorbeeld problemen met: mensen die woorden onnodig verkleinen. Groene Boekjes met foutieve woordafbrekingen. Koffie die koud wordt. Collega’s die op mijn afdeling Alkmaarse slang voor seksuele handelingen komen introduceren. Mensen die in de weg lopen. Mensen die ‘helemaal goed’ zeggen. Man, dan word ik echt hels. Dan laai ik op. Dan ren ik naar de eerste de beste parkeerplaats en laat ik de vlammen hun werk doen.

Uit het buitenland bereiken ons intussen schrikbarende cijfers. 1300 auto’s in 1 nacht! Dat soort aantallen, dat noem ik: pure provocatie. Alsof wat wij aanrichten beginnerswerk is. Maar wat zij kunnen, kunnen wij natuurlijk ook. We hoeven het slechts te willen. Wij zijn toch ook kansarm? Wij zijn toch ook doelloos? En zijn wij soms niet wanhopig? Wij hadden het vroeger anders ook niet gemakkelijk, hoor.

V.

GECITEERD

Elke maandag staat op de achterpagina van NRC Handelsblad de rubriek 'WoordHoek', geschreven door de onvolprezen taalkenner Ewoud Sanders. In ''t Krijk der Frannen', de aflevering van vandaag, valt het volgende te lezen:

Vorige week had ik mailcontact met de productieafdeling van een van de grootste Amsterdamse uitgevers. Dat begon met een vraag: 'Is er ergens een overzicht van alle woordafbrekingen die zijn veranderd in het Groene Boekje? Wij worden er hier erg onzeker van, nu blijkt dat we alles ineens moeten opzoeken: Fran/krijk! Catas/trofe! Diag/nose! Illus/tratie! Mijn collega heeft het Groene Boekje zowat het raam uit gegooid, in een vlaag van woede, vanwege dat Fran/krijk.'

Ha! Ik werk weliswaar niet op de productieafdeling, maar die mail, dat zagen jullie al, die is natuurlijk van mij afkomstig. En die collega met de ongecontroleerde driftaanval, dat is collega B.

Eindelijk weer eens de krant gehaald. Wat leuk.

V.

zondag 6 november 2005

ROCK STARS HAVE KIDNAPPED MY SON!

Zij die morgen na halfnegen over straat lopen, delen we voortaan in bij: de onbevoegden. En ook bij: zij die het nooit zullen begrijpen. En bovendien bij: de onwetenden.

Alle anderen kijken morgen vanaf halfnegen immers naar Almost Famous, een van de Films der Films.

Eindelijk zal duidelijk zijn wie deugt en wie niet.

V.

ALLES DRAAIT OM MIJ EN MIJN SITE

Woensdag lunchte ik met collega E. in het lunchetablissement waar normaal gesproken het Meisje met de Afschuwelijke Stem werkt. Nu was ze echter nergens te bekennen. De vaste lezers onder jullie weten inmiddels dat dat geen reden tot paniek is. Het Meisje met de Afschuwelijke Stem duikt altijd weer op. Ook zulke meisjes hebben wel eens een dag vrij. Niettemin: collega E. stelde me op de hoogte van het een en ander. Ze vroeg me achteraf of ik er niets over wilde schrijven op de site, en ze vroeg me dat zó veelvuldig dat ik me later ging afvragen: zou ze misschien júist willen dat ik hier schrijf dat...? De volgende ochtend liet ze me weten opgelucht te zijn. Ze was met angst en beven op de site komen kijken, maar goddank, ik had niets geschreven.

En zo kun je jezelf natuurlijk van alles wijs maken. Dat men bijvoorbeeld alleen nog maar met je gaat lunchen omdat men zichzelve wil herkennen op je site. Dat men je alleen nog maar aanspreekt in gevatte volzinnen, compleet met interpunctie en al, opdat je misschien inspiratie opdoet voor een nieuw stukje. Dat men, o gruwel, de Nederlandse spelling alleen maar herziet zodat je er narrige dingen over kunt schrijven. Voor je het weet draait alles alleen nog om jou en jouw site. (En laten we eerlijk zijn, het ís natuurlijk gewoon zo. Niels en ik, wij gaan voor de werelddominantie. Eens laten wij jullie bukken onder een strikt door onze nukken bepaald regime. Of, nu ja, hoe Niels dat indertijd dan ook verwoordde. Hij zei het namelijk heel mooi, jullie kennen hem. Wat een woordentovenaar, die jongen.)

Terwijl ik vanmiddag een kop kippensoep kreeg voorgeschoteld door Elsie, en een virtuele tosti kreeg aangeboden door mijn beminnelijke weblogvriendin N., bedacht ik: men wil mij aan het schrijven zetten. Ik word omringd door personages en door zinnen die gebruikt moeten worden. Zo sprak ik deze week een stagiaire, die mij toezei dat ik binnenkort zou kennismaken met een man. Ik zei: 'Laat maar komen, die man.' Zij zei: 'Ik moet je waarschuwen: hij is heel lief.' 'Ik ben ook heel lief.' 'Dat weet ik.' (Hier trok ik even mijn ene wenkbrauw op. Jullie kennen die uitdrukking intussen wel. En zo niet: let in godsnaam eens op. Gaat dan werkelijk álles langs jullie heen? Hmpf.) 'Maar,' zo ging ze verder, 'deze man giechelt heel veel. Dat vind ik zo lief. En jij giechelt nooit, denk ik.' 'Nee,' zei ik kortaf, 'ik ga nog liever dood.' Daarop stond ik op, woest & uitzinnig & niet voor rede vatbaar. Zelden ben ik zó snel zó kwaad geworden. Ik heb zo mijn buien.

En gisteren - want dit is zo'n van-de-hak-op-de-takstukje; wie het niet zint, komt later maar eens terug - bezochten Elsie en ik de sprookjesfilm Corpse Bride in de bioscoop die ik hier bij voorkeur omschrijf als Het Aftandse Delftse Filmpaleis. Maar, zo zei Elsie: 'Het lijkt wel alsof ze Het Aftandse Delftse Filmpaleis hebben opgeknapt!' En warempel, de stoelen waren heel, op de muren zaten geen klodders van een onduidelijke maar immer schrik aanjagende substantie, en het publiek was zowaar eens rustig. Ja, natuurlijk waren er de gillende sms-chickies die heel de tijd heen en weer liepen, maar die vallen al haast niet meer op. Die horen erbij. Zonder gillende sms-chickies geen ouderwets bioscoopbezoek, dat zeg ik ervan.

(Ik roep zojuist naar Elsie: 'Waar kan ik nog meer over schrijven in mijn stukkie?' 'Wat heb je tot nu toe?' 'Och, gewoon wat losse dingetjes.' 'Ah. Ik zou wat vaste dingetjes toevoegen. Voor het evenwicht.')

(En op msn vraagt iemand me of ik weet wat 'humps' zijn.)

Pas dronk ik een stapel wodka-limes met collega B. op een Haags terras en ik staarde wat onbeholpen in de verte (ik kan die blik heel goed op commando doen; vraag het me gerust eens als je me ziet - en ervaar de gevolgen). Plots zei collega B. me: 'Die vrouw hiervoor is met jou aan het flirten.' Ik had niets gezien, want ik was immers onbeholpen in de verte aan het staren (vraag het me dan gewoon! Dan doe ik het voor!), dus ik vroeg haar: 'Hoe oud is die vrouw eigenlijk?', want inmiddels zag ik alleen nog haar achterkant, en die deed me nogal denken aan Iggy Pop, zij het een Iggy die een T-shirt draagt. 'O...' sprak collega B., 'ik denk dat ze ons gerust had kunnen baren.' Later voegde correctrice C. zich nog bij ons en die zei: 'Ja, zo'n vrouw, die dacht natuurlijk: wat een leuke John Cusack-achtige verschijning, daar ga ik maar eens mee flirten.'

En ik vraag jullie: die Iggy Pop-achtige vrouwen-op-leeftijd, die correctrices die me complimenten maken, de msn'ers die me vragen wat 'humps' zijn, de stagiaires die me willen voorstellen aan lieve, giechelende mannen, alle gillende sms-chickies, en de collega's die met me lunchen en me dingen vertellen die ik hier echt niet mag schrijven... het kan toch verdorie geen toeval zijn? Al die mensen, al die curieuze dialogen? Die zijn er toch alleen maar om mij van stof tot schrijven te voorzien?

Ik ga even afkoelen ergens.

V.