Zo zit je nog in de zon koffie te drinken met het meisje S. en zo ben je genoodzaakt langer dan strikt noodzakelijk op de Universiteits Bibliotheek te zitten. Het hoost buiten, mensen, dat is niet mooi meer.
Van voorgenoemd meisje S. kreeg ik het boek The War of Don Emmanuel's Nether Parts, geschreven door Louis de Bernières. Het zal mij benieuwen.
Hier op de UB stikt het momenteel van de mensen die hier niet willen zijn. Toeristen lopen rond in korte broeken, met zonnebrillen op en staren zwijgend naar de donkere hemel. Net zag ik twee zwervers broederlijk hun laatste blik Euroshopper-bier delen, terwijl ze maar ternauwernood de rondzwiepende draaideur konden ontwijken. En nu zit ik hier, achter de computer, met een ontzettend zomers gekleed en gebruind meisje naast me, dat, zoals ze net vertelde, zopas is teruggekomen uit Brazilië.
Daar had ze beter kunnen blijven, me dunkt.
N.
OMDAT ALLEEN TEKST OOK HEEL STOER IS
Literatuur, Film, Muziek en Andere Fijne Zaken
donderdag 8 juli 2004
woensdag 7 juli 2004
100 JASSEN, 100 MENSEN, 100 PLEKKEN
Toen ik gisteren rond kwart over vijf aankwam in restaurant K.F. te A., vroeg een meisje me of ze mijn jas mocht aannemen. 'Nee...' aarzelde ik, 'dat zal niet nodig zijn.' Net voor ik bijna een gemeen trapje af kukelde, hield collega Esther me tegen, en ze sprak: 'Die jas zou ik maar uitdoen als ik jou was.' Ik overzag de menigte en oordeelde: het wordt hier misschien warmer dan goed voor me is. Terug bij het meisje zei ik: 'Die jas wil ik toch wel afgeven als dat kan.' Ze nam de jas aan, hing hem tussen pakweg honderd andere jassen, en ik vroeg: 'Krijg ik er niet zo'n papiertje met een nummertje bij?' Die vraag lachte ze gewoon weg.
Restaurant K.F. te A. was de plaats waar de nieuwe zomerhit van de Grote Uitgeverij werd gepresenteerd, 100 wereldplekken die je gezien moet hebben van Floortje Dessing. (Voor wie dat boek nu nóg niet in huis heeft: het kost 15 euro en ligt in torenhoge stapels in elke boekhandel. En zo niet, noem dan de magische cijfers 90 446 0463 5, en ze bestellen het voor je.) De zaak was afgeladen met volk dat ófwel voor de tv werkte, ófwel voor een hip blad ófwel voor een Grote Uitgeverij. Ik vluchtte snel naar achteren, waar gelukkig nog enige bewegingsruimte mogelijk bleek. Terwijl ik net in gesprek was met mijn nieuwe collega Susanne K., stond Niels in ene naast ons. 'Dit is onze nieuwste Susanne,' zei ik tegen Niels, 'zij wordt de nieuwe Peter.' Susanne bleek onze site te kennen en stond heel onopvallend haar best te doen op de site genoemd te worden. Hoewel, zo onopvallend deed ze dat nu ook weer niet, getuige haar woorden: 'Wat moet ik eigenlijk doen om op jullie site genoemd te worden?'
Niels wist me te vertellen, en ik citeer hem hier letterlijk: 'Ik zag pas Georgina Verbaan lopen. Die was ineens enórm bruin. Die had ineens enórme tieten.' Ik ging er wijselijk niet op in en bestelde nog een rosé. Intussen werden Niels, Susanne en ik voortdurend in de gaten gehouden door een baby. We waren een beetje bang voor het mannetje. Zijn blikken duidden erop dat hij snode plannen smeedde. Ook spotten we er een Beau van Erven Dorens-wannabe in een geel pak. En het meisje dat op mijn jas zou letten, bracht zomaar de hapjes rond. Niels zei: 'Die heb ik al gehad. Best lekker.' En ik bad dat hij het over de hapjes had en niet over het meisje.
En toen werd er ergens gespeecht. Vanwaar wij stonden, konden we er geen woord van verstaan, maar ik zág Esther spreken namens de Grote Uitgeverij en ik was even heel trots op haar. Het was een speech die ertoe deed, dat zag je zo, ook als je er niets van verstond.
Die jas vond ik nog heel snel terug. Zo zie je maar dat uiteindelijk vrijwel alles goed afloopt, ook als je er van tevoren wat vraagtekens bij plaatst.
V.
Restaurant K.F. te A. was de plaats waar de nieuwe zomerhit van de Grote Uitgeverij werd gepresenteerd, 100 wereldplekken die je gezien moet hebben van Floortje Dessing. (Voor wie dat boek nu nóg niet in huis heeft: het kost 15 euro en ligt in torenhoge stapels in elke boekhandel. En zo niet, noem dan de magische cijfers 90 446 0463 5, en ze bestellen het voor je.) De zaak was afgeladen met volk dat ófwel voor de tv werkte, ófwel voor een hip blad ófwel voor een Grote Uitgeverij. Ik vluchtte snel naar achteren, waar gelukkig nog enige bewegingsruimte mogelijk bleek. Terwijl ik net in gesprek was met mijn nieuwe collega Susanne K., stond Niels in ene naast ons. 'Dit is onze nieuwste Susanne,' zei ik tegen Niels, 'zij wordt de nieuwe Peter.' Susanne bleek onze site te kennen en stond heel onopvallend haar best te doen op de site genoemd te worden. Hoewel, zo onopvallend deed ze dat nu ook weer niet, getuige haar woorden: 'Wat moet ik eigenlijk doen om op jullie site genoemd te worden?'
Niels wist me te vertellen, en ik citeer hem hier letterlijk: 'Ik zag pas Georgina Verbaan lopen. Die was ineens enórm bruin. Die had ineens enórme tieten.' Ik ging er wijselijk niet op in en bestelde nog een rosé. Intussen werden Niels, Susanne en ik voortdurend in de gaten gehouden door een baby. We waren een beetje bang voor het mannetje. Zijn blikken duidden erop dat hij snode plannen smeedde. Ook spotten we er een Beau van Erven Dorens-wannabe in een geel pak. En het meisje dat op mijn jas zou letten, bracht zomaar de hapjes rond. Niels zei: 'Die heb ik al gehad. Best lekker.' En ik bad dat hij het over de hapjes had en niet over het meisje.
En toen werd er ergens gespeecht. Vanwaar wij stonden, konden we er geen woord van verstaan, maar ik zág Esther spreken namens de Grote Uitgeverij en ik was even heel trots op haar. Het was een speech die ertoe deed, dat zag je zo, ook als je er niets van verstond.
Die jas vond ik nog heel snel terug. Zo zie je maar dat uiteindelijk vrijwel alles goed afloopt, ook als je er van tevoren wat vraagtekens bij plaatst.
V.
maandag 5 juli 2004
HEEL EVEN ZWERVER
In deze vreemde, vreemde tijden ben ik erachter gekomen dat ik schaamte ver voorbij ben. Dat is handig, als schrijver. Dat levert wat op, als jongen alleen. Maar gisteren sloeg het toch weer eens toe. Zo’n zenuwachtig, onderhuids borrelen. Zo’n prikkelend gevoel van gene, dat je oogcontact doet vermijden, je tred doet versnellen, je kortaf doet praten, je ongemakkelijk doet rondblikken.
Het heeft te maken met de Grieken. Die werden gisteren Europees Kampioen. Of nee, het heeft te maken met de finale en wat ik dronk. Ik keek naar de verrichtingen van die klungels op het veld, alleen, in mijn enorme tijdelijke huis, terwijl ik, om in stijl te blijven, een Euroshopper-bier dronk. Daar zijn redenen voor, maar ik ben altijd degene geweest die wijselijk z’n mond houdt over privé-aangelegenheden, en ondanks dat mijn wereld er tegenwoordig wezenlijk anders uitziet, en ik op plekken kom die ik niet voor mogelijk had gehouden, wil ik er niet nu aan beginnen om jullie mijn dagelijkse gang van zaken te vertellen. Daar hebben we Vincent immers voor. En hij doet dat veel beter dan ik kan.
Goed.
De laatste keer dat ik blikken Euroshopper-bier aanschafte, zat het in een bescheiden, zilverkleurige blik. Een keurig blik, feitelijk, met het logo discreet verstopt. Als je er met geloken ogen naar keek, leek het zelfs een weinig op het blik van het Japanse luxemerk Asahi. Maar nu! Viezig rood en groen, enorme letters die het woord BIER schreeuwen. Dit blik zegt: Je Koopt Het Allergoedkoopste Bier Dat Wij Verkopen.
Ik schaamde mij een beetje, daar in de Albert Heijn, met mijn blikken Europshopper-bier. Ook omdat het het enige was dat ik kocht. Ik had reeds gegeten, er was toiletpapier in huis, ik hoef tegenwoordig geen honden- of kattenvoer meer te kopen, ik had van mijn moeder een geweldige hoeveelheid deodorant, tandpasta en scheermesjes gekregen. Ik had geen enkele reden in de supermarkt te zijn, behalve dat ik bij de wedstrijd een bier wilde drinken. Heel even dacht ik er nog aan om een zak chips te kopen, maar ik zag, heel levendig in feite, de olijven, nootjes en Tuc in de kast thuis staan. Koffie dan? Laatst van Martien een pak gekregen. Er was werkelijk niets dat ik verder nodig had. (Nu ja, een vast huis, een vakantie, een miljoen euro, een afgerond manuscript, een universitaire bul - maar denk je dat ze dat hebben bij die kruidenier? Nee, hoor. Stelletje prutsers.)
Daar stond ik dan. In de rij. Met mijn vier blikken. Zeker geen zwerversaantal. Ik droeg een duur colbert, ik had stoere gympen aan, zonnebril op mijn kop. Ik had een plastic tasje klaar. Een tasje van de American Bookstore. De caissière bliepte de blikken, ik overhandigde mijn bonuskaart en airmilespas, knalde de 1,48 contant op de balie en propte de blikken heel snel in de tas.
‘Wilt u de bon?’ vroeg het meisje nog (Emma heette ze, en ik vond dat een mooie naam voor dat meisje), maar ik was al buiten. Ik rende net niet.
Toen de wedstrijd voorbij was (buiten bleef het rustig, er wonen maar heel weinig Grieken in Amsterdam, blijkbaar), lagen er vier gedeukte blikken op tafel. Enige minuten later ontving ik sms-jes uit Noorwegen, Finland en de Warmoestraat, liet ik het bad volstromen en schonk me fors glas uitstekende grappa in. Toen ik daarna met grappa, diskman en Paul Austers Oracle Night lag te weken, hoorde ik de zwerver in mij sneren: ‘Patser.’
N.
Het heeft te maken met de Grieken. Die werden gisteren Europees Kampioen. Of nee, het heeft te maken met de finale en wat ik dronk. Ik keek naar de verrichtingen van die klungels op het veld, alleen, in mijn enorme tijdelijke huis, terwijl ik, om in stijl te blijven, een Euroshopper-bier dronk. Daar zijn redenen voor, maar ik ben altijd degene geweest die wijselijk z’n mond houdt over privé-aangelegenheden, en ondanks dat mijn wereld er tegenwoordig wezenlijk anders uitziet, en ik op plekken kom die ik niet voor mogelijk had gehouden, wil ik er niet nu aan beginnen om jullie mijn dagelijkse gang van zaken te vertellen. Daar hebben we Vincent immers voor. En hij doet dat veel beter dan ik kan.
Goed.
De laatste keer dat ik blikken Euroshopper-bier aanschafte, zat het in een bescheiden, zilverkleurige blik. Een keurig blik, feitelijk, met het logo discreet verstopt. Als je er met geloken ogen naar keek, leek het zelfs een weinig op het blik van het Japanse luxemerk Asahi. Maar nu! Viezig rood en groen, enorme letters die het woord BIER schreeuwen. Dit blik zegt: Je Koopt Het Allergoedkoopste Bier Dat Wij Verkopen.
Ik schaamde mij een beetje, daar in de Albert Heijn, met mijn blikken Europshopper-bier. Ook omdat het het enige was dat ik kocht. Ik had reeds gegeten, er was toiletpapier in huis, ik hoef tegenwoordig geen honden- of kattenvoer meer te kopen, ik had van mijn moeder een geweldige hoeveelheid deodorant, tandpasta en scheermesjes gekregen. Ik had geen enkele reden in de supermarkt te zijn, behalve dat ik bij de wedstrijd een bier wilde drinken. Heel even dacht ik er nog aan om een zak chips te kopen, maar ik zag, heel levendig in feite, de olijven, nootjes en Tuc in de kast thuis staan. Koffie dan? Laatst van Martien een pak gekregen. Er was werkelijk niets dat ik verder nodig had. (Nu ja, een vast huis, een vakantie, een miljoen euro, een afgerond manuscript, een universitaire bul - maar denk je dat ze dat hebben bij die kruidenier? Nee, hoor. Stelletje prutsers.)
Daar stond ik dan. In de rij. Met mijn vier blikken. Zeker geen zwerversaantal. Ik droeg een duur colbert, ik had stoere gympen aan, zonnebril op mijn kop. Ik had een plastic tasje klaar. Een tasje van de American Bookstore. De caissière bliepte de blikken, ik overhandigde mijn bonuskaart en airmilespas, knalde de 1,48 contant op de balie en propte de blikken heel snel in de tas.
‘Wilt u de bon?’ vroeg het meisje nog (Emma heette ze, en ik vond dat een mooie naam voor dat meisje), maar ik was al buiten. Ik rende net niet.
Toen de wedstrijd voorbij was (buiten bleef het rustig, er wonen maar heel weinig Grieken in Amsterdam, blijkbaar), lagen er vier gedeukte blikken op tafel. Enige minuten later ontving ik sms-jes uit Noorwegen, Finland en de Warmoestraat, liet ik het bad volstromen en schonk me fors glas uitstekende grappa in. Toen ik daarna met grappa, diskman en Paul Austers Oracle Night lag te weken, hoorde ik de zwerver in mij sneren: ‘Patser.’
N.
zondag 4 juli 2004
MOKERSLAAP, HERSENWOLK
Laten we eens wat nieuwe woorden introduceren. Of ze iets bekender maken dan ze momenteel zijn. Ik heb zojuist de woorden mokerslaap en hersenwolk ingetoetst bij Google. 'Mokerslaap' levert 0 treffers op, 'hersenwolk' zowaar 2. Ten huize van de familie Schmitz (Elsie, Noni, Teigetje en ik) zijn het ingeburgerde begrippen, maar in de grote virtuele cyberruimte valt er blijkbaar nog veel werk te verzetten.
Een van de twee Google-treffers bij het woord 'hersenwolk' blijkt afkomstig uit een omschrijving van de welhaast door iedereen genegeerde prachtfilm Joe versus the Volcano, waarin de hoofdfiguur te horen krijgt dat hij een 'brain cloud' heeft en dat hij daarom spoedig zal sterven. Van die film heb ik het woord zelf ook onthouden. Ik heb het slechts even vertaald, op de onnavolgbare wijze mij eigen. Bovendien gebruik ik het niet om er een fictieve dodelijke ziekte mee te benoemen, maar om het gevoel te omschrijven dat ik soms heb als ik in bepaalde omstandigheden iets te snel opsta, zodat het me duizelt in het hoofd. Die duizeling gaat gepaard met een hevig bonken, een algeheel gevoel van onbehagen en het allesoverheersende idee: misschien had ik beter nog even kunnen blijven zitten.
Het je plots overvallende gevoel van moeheid, dat alles wat voorheen zo belangrijk en interessant leek, hopsakee, aan de kant schuift, dat noem ik 'mokerslaap'. Alsof de slaap je met een hamer op het hoofd komt kloppen. Ik meld het hier maar even.
Ik wens de woorden 'mokerslaap' en 'hersenwolk' een glorieuze toekomst toe, ook in de grote Google-zoekmachine. Ik voorspel hierbij dat de woorden met ingang van volgende week meer treffers zullen opleveren dan ooit tevoren. Dat wil zeggen: 1 keer 'mokerslaap', 3 keer 'hersenwolk'.
En daarna verzinnen we weer nieuwe woorden.
V.
Een van de twee Google-treffers bij het woord 'hersenwolk' blijkt afkomstig uit een omschrijving van de welhaast door iedereen genegeerde prachtfilm Joe versus the Volcano, waarin de hoofdfiguur te horen krijgt dat hij een 'brain cloud' heeft en dat hij daarom spoedig zal sterven. Van die film heb ik het woord zelf ook onthouden. Ik heb het slechts even vertaald, op de onnavolgbare wijze mij eigen. Bovendien gebruik ik het niet om er een fictieve dodelijke ziekte mee te benoemen, maar om het gevoel te omschrijven dat ik soms heb als ik in bepaalde omstandigheden iets te snel opsta, zodat het me duizelt in het hoofd. Die duizeling gaat gepaard met een hevig bonken, een algeheel gevoel van onbehagen en het allesoverheersende idee: misschien had ik beter nog even kunnen blijven zitten.
Het je plots overvallende gevoel van moeheid, dat alles wat voorheen zo belangrijk en interessant leek, hopsakee, aan de kant schuift, dat noem ik 'mokerslaap'. Alsof de slaap je met een hamer op het hoofd komt kloppen. Ik meld het hier maar even.
Ik wens de woorden 'mokerslaap' en 'hersenwolk' een glorieuze toekomst toe, ook in de grote Google-zoekmachine. Ik voorspel hierbij dat de woorden met ingang van volgende week meer treffers zullen opleveren dan ooit tevoren. Dat wil zeggen: 1 keer 'mokerslaap', 3 keer 'hersenwolk'.
En daarna verzinnen we weer nieuwe woorden.
V.
zaterdag 3 juli 2004
FOON TERUG
Ik ben vandaag niet veel thuis. Sterker: ik ben alweer bijna de deur uit. Elsie en ik gaan naar het 'house warming' feestje van collega Esther en haar vriend Wilbert. Eerder vandaag kon je Elsie en mij zien lopen door de Delftse binnenstad. Je had ons kunnen zien lunchen bij Benjamins. Je had mij broeken kunnen zien passen (goede broeken overigens; ik nam er zomaar drie mee). Je had ons kunnen zien in een heuse telefoonwinkel terwijl ik een nieuwe foon uitzocht.
Ik moet erg wennen aan de functies op mijn nieuwe foon. Als ik een sms typ, wil mijn foon de hele tijd al mijn woorden aanvullen. Het is alsof hij er heel de tijd tussendoor schreeuwt: 'Dit woord bedoel je zeker, hè? Ja toch? Zal ik het maar vast afmaken voor je?' Een sms sturen duurt nu twee keer zo lang. Dat kan toch niet de bedoeling zijn van zo'n woordenboek.
Intussen begint het er steeds meer op te lijken dat Alles Inderdaad Kapot Kan. Er zijn mensen die net doen alsof het niet zo is, en er zijn mensen die zich gewoon knap staande houden tussen al die stormen door (Elsie en ik bijvoorbeeld), maar Niels heeft gelijk: Alles Kan Kapot. 'Oh, the horror... the horror...' zou Marlon Brando gemompeld hebben (hij ruste in vrede).
V.
Ik moet erg wennen aan de functies op mijn nieuwe foon. Als ik een sms typ, wil mijn foon de hele tijd al mijn woorden aanvullen. Het is alsof hij er heel de tijd tussendoor schreeuwt: 'Dit woord bedoel je zeker, hè? Ja toch? Zal ik het maar vast afmaken voor je?' Een sms sturen duurt nu twee keer zo lang. Dat kan toch niet de bedoeling zijn van zo'n woordenboek.
Intussen begint het er steeds meer op te lijken dat Alles Inderdaad Kapot Kan. Er zijn mensen die net doen alsof het niet zo is, en er zijn mensen die zich gewoon knap staande houden tussen al die stormen door (Elsie en ik bijvoorbeeld), maar Niels heeft gelijk: Alles Kan Kapot. 'Oh, the horror... the horror...' zou Marlon Brando gemompeld hebben (hij ruste in vrede).
V.
vrijdag 2 juli 2004
DE STAD WAAR IK OPGROEIDE
Vanmorgen lag ik in de tandartsstoel, bij de tandarts die inmiddels al 21 jaar mijn gebit inspecteert. 21 jaar, dat is een verrekt lange periode. Nog 4 jaar erbij, en ik breng een bloemetje mee. Ze sprak me streng toe: ‘Wij gaan een nieuwe afspraak maken. Dat wordt een sessie van 50 minuten.’ Ik begon al lichtjes te trillen. Ze is van plan mijn tanden een beetje te verfraaien, mooier te maken, de boel eens op te fleuren. ‘Wil jij nu altijd wel of niet verdoofd worden?’ vroeg ze. ‘Nooit! Nóóit, hoor je me!’ stamelde ik. Ik heb een hekel aan injecties, moeten jullie weten. ‘Hij wil nooit injecties,’ sprak de tandartsassistente nog. Ik knikte bedremmeld. Het trillen stopte alweer een beetje. ‘Zullen we een afspraak maken op 27 augustus?’ vroeg de assistente. ‘Dan ben ik op huwelijksreis,’ antwoordde ik. We werden even alledrie een beetje wee, meen ik. ‘We kunnen het vóór je huwelijk plannen als je wilt, maar dan worden het 2 sessies van 30 minuten.’ ‘Dat hoeft niet, hoor, ik denk dat het feest sowieso wel doorgaat,’ antwoordde ik. En opgelucht fietste ik weer naar het huis van mijn ouders.
Er zijn maar drie dingen die mij terug blijven lokken naar Lelystad, de stad waar ik opgroeide: mijn ouders, de schaarse vrienden die mij daar nog resten, en mijn tandarts. Ik liep vanmorgen nog door de Gordiaan, het grote Lelystadse winkelcentrum, en af en toe schudde ik glimlachend mijn hoofd. Ik dacht: die middenstanders hier, je ziet dat ze een poging doen, je ziet dat ze het proberen. Net zozeer als je ziet dat het ze nooit zal lukken. In het Lelycentre, het kleine winkelcentrum, is het niet veel anders. Ik liep daar gisteren met mijn moeder, en van de vier winkels die we bezochten (een boekhandel, een cd-winkel, de Kruidvat en de Dekamarkt), verkochten er vier dvd’s. Vreemd. In de boekhandel zei mijn moeder iets als: ‘Niemand wordt rijk van schrijven, behalve Harry Mulisch. Maar ik zal nooit iets van Mulisch lezen. Nóóit, hoor je me!’ Ik liep een stukje opzij, terwijl ze de boekverkoper vol moederlijke trots toonde dat mijn naam in enkele boeken voorkomt. Ze zal het niet snel hardop zeggen, maar eigenlijk vindt mijn moeder het maar een beetje knullig dat ik slechts andermans boeken zit bij te schaven. Liever zou ze me zelf zien schrijven. Boeken, columns, maakt niet uit. In de Dekamarkt duwde ze me haast een fles wijn in mijn handen met de opmerking: ‘Alle schrijvers drinken.’ Mijn moeder gelooft dat circa 90 procent van de schrijvers knettergek is. Ik denk dat circa 90 procent van de mensheid sowieso knettergek is. Dus we zijn het min of meer eens.
Toen ik gisteren aankwam in Lelystad, en een van de lokale bussen betrad, werd het me wel een beetje droef te moede. De bus zat volgestouwd met spuuglelijk volk. Ik zag kabouters, gnomen, kobolds en enge heksen. Allemaal afgekeurd Efteling-materiaal zat er in die bus. Ik zag tieners met kinderwagens. Ik zag tieners die zwanger waren. Ik zag een man die zwanger leek. Ik zag een oude vrouw met een ontblote buik. Ik werd er naar van. Ik ben snel die bus uit gevlucht.
Bij mijn ouders thuis staat een webcam. Ik beleefde daar veel plezier mee gisteravond. Tegen ex-vriendinnetje Arlette trok ik alle gezichten die ik in 1997 ook al naar haar trok. Ze moest daar erg om lachen, zei ze. (Ze had zelf geen webcam, dus ze kon zoveel zeggen.) Ook begonnen we elkaar te beledigen, want dat vinden we leuk. Zij zei bijvoorbeeld: 'Raar dat jij helemaal niet dronk toen je met mij was.' Waarop ik antwoordde: ‘Inderdaad raar. Ik had drank goed kunnen gebruiken toen.’ Ja, het was gezellig gisteren.
Genoeg nu. Ik ga dolle dingen doen in afwachting van Elsies thuiskomst. Ik ga bijvoorbeeld heel hard ‘Hotel Yorba’ van The White Stripes draaien en mezelf swingend door de huiskamer begeven. Vervolgens zal ik een beetje in de spiegel gaan staren naar de bos stro die ik vroeger mijn kapsel noemde. Ja ja, het weekend is begonnen.
V.
Er zijn maar drie dingen die mij terug blijven lokken naar Lelystad, de stad waar ik opgroeide: mijn ouders, de schaarse vrienden die mij daar nog resten, en mijn tandarts. Ik liep vanmorgen nog door de Gordiaan, het grote Lelystadse winkelcentrum, en af en toe schudde ik glimlachend mijn hoofd. Ik dacht: die middenstanders hier, je ziet dat ze een poging doen, je ziet dat ze het proberen. Net zozeer als je ziet dat het ze nooit zal lukken. In het Lelycentre, het kleine winkelcentrum, is het niet veel anders. Ik liep daar gisteren met mijn moeder, en van de vier winkels die we bezochten (een boekhandel, een cd-winkel, de Kruidvat en de Dekamarkt), verkochten er vier dvd’s. Vreemd. In de boekhandel zei mijn moeder iets als: ‘Niemand wordt rijk van schrijven, behalve Harry Mulisch. Maar ik zal nooit iets van Mulisch lezen. Nóóit, hoor je me!’ Ik liep een stukje opzij, terwijl ze de boekverkoper vol moederlijke trots toonde dat mijn naam in enkele boeken voorkomt. Ze zal het niet snel hardop zeggen, maar eigenlijk vindt mijn moeder het maar een beetje knullig dat ik slechts andermans boeken zit bij te schaven. Liever zou ze me zelf zien schrijven. Boeken, columns, maakt niet uit. In de Dekamarkt duwde ze me haast een fles wijn in mijn handen met de opmerking: ‘Alle schrijvers drinken.’ Mijn moeder gelooft dat circa 90 procent van de schrijvers knettergek is. Ik denk dat circa 90 procent van de mensheid sowieso knettergek is. Dus we zijn het min of meer eens.
Toen ik gisteren aankwam in Lelystad, en een van de lokale bussen betrad, werd het me wel een beetje droef te moede. De bus zat volgestouwd met spuuglelijk volk. Ik zag kabouters, gnomen, kobolds en enge heksen. Allemaal afgekeurd Efteling-materiaal zat er in die bus. Ik zag tieners met kinderwagens. Ik zag tieners die zwanger waren. Ik zag een man die zwanger leek. Ik zag een oude vrouw met een ontblote buik. Ik werd er naar van. Ik ben snel die bus uit gevlucht.
Bij mijn ouders thuis staat een webcam. Ik beleefde daar veel plezier mee gisteravond. Tegen ex-vriendinnetje Arlette trok ik alle gezichten die ik in 1997 ook al naar haar trok. Ze moest daar erg om lachen, zei ze. (Ze had zelf geen webcam, dus ze kon zoveel zeggen.) Ook begonnen we elkaar te beledigen, want dat vinden we leuk. Zij zei bijvoorbeeld: 'Raar dat jij helemaal niet dronk toen je met mij was.' Waarop ik antwoordde: ‘Inderdaad raar. Ik had drank goed kunnen gebruiken toen.’ Ja, het was gezellig gisteren.
Genoeg nu. Ik ga dolle dingen doen in afwachting van Elsies thuiskomst. Ik ga bijvoorbeeld heel hard ‘Hotel Yorba’ van The White Stripes draaien en mezelf swingend door de huiskamer begeven. Vervolgens zal ik een beetje in de spiegel gaan staren naar de bos stro die ik vroeger mijn kapsel noemde. Ja ja, het weekend is begonnen.
V.
donderdag 1 juli 2004
AVONDJE IN PARADISO
Ik zou jullie veel kunnen vertellen over gisteravond. Bijvoorbeeld dat we slechts de eerste helft van Nederland-Portugal zagen voor we naar Paradiso gingen en dat ik zelden iemand zo fanatiek op voetbal heb zien reageren als Niels - 'Het lijkt wel alsof ik Tourette heb,' riep hij ergens. Dat we per sms op de hoogte werden gehouden van alle Portugese doelpunten. Dat ik Niels en Martien in Paradiso elke keer gemakkelijk terugvond dankzij Martiens lengte. Dat The Von Bondies erg leuk waren en de Black Rebel Motorcycle Club heel stoer. Dat Niels en ik dan eindelijk in levenden lijve kennismaakten met de beroemde Corrie. Dat we nog uren hebben gedanst en dat we feestten alsof het 1999 was. Dat ik om een uur of 1 op onhandige wijze mijn foon kapot liet vallen en dat die, nadat Niels hem weer voor me in elkaar zette, geen teken van leven meer gaf, op een onregelmatig en wat verontrustend trillen na. Dat ik uiteindelijk toch nog mijn overbodige kaartje aan de kassa wist om te ruilen voor 15 euro. En dat het een avond was om korte stukjes op weblogs over te schrijven.
Maar dat allemaal vertellen, nu, op dit moment, daar heb ik even geen zin in. Ik ga mijn foon ergens begraven.
V.
Maar dat allemaal vertellen, nu, op dit moment, daar heb ik even geen zin in. Ik ga mijn foon ergens begraven.
V.
Abonneren op:
Posts (Atom)