NIELS EN VINCENT BESTAAN 10 JAAR

zaterdag 10 september 2005

REISJE NAAR GENT

Toen ik gistermiddag in Antwerpen Berchem de trein uit wilde stappen, moest ik eerst langs een onsmakelijke conducteur zien te komen die zichzelve overvloedig had besprenkeld met een eau de toilette van een merk dat vermoedelijk de naam Ontbindend Kadaver draagt – niet bepaald mijn favoriete luchtje. En ik wás al zo humeurig. Wat zeg ik? Humeurig? Het was feitelijk heel knap dat ik telkens in een trein belandde en niet ervoor, zo humeurig was ik. Ik schreef hier een paar dagen geleden al dat ik die hitte echt zat ben, en dat er herfst moet komen, maar de hitte laat zich niet verdrijven. Ze was gisteren aanweziger dan ooit. En tijdens die verzengende treinreis naar Gent (waar ik uiteindelijk heen moest) droeg ik te veel tassen bij me en zat ik inwendig te mokken omdat ik die avond alleen in een hotelkamer moest overnachten. Want allenig in een hotelkamer overnachten, van dat idee alleen al krijg ik weltschmerzgedachten, en ook komt er veel ‘och wee’ en ‘waarom ik?’ en ‘laat het allemaal snel voorbij zijn’ bij kijken. Nu, de stemming zat er goed in gistermiddag.

Terwijl het ’s ochtends allemaal zo voorspoedig was begonnen. Toen ik in de tandartsstoel lag, waar de tandarts mijn ene voortand eens nader onderzocht. Die tand, ik kan het jullie nu wel vertellen, verkleurde de laatste maanden een beetje. De blauwige streep die ik regelmatig waarnam, bleek achtergebleven cement te zijn van een wortelkanaalbehandeling van eerder dit jaar. Cement? dacht ik even. Hoe zullen we het nu hebben? Nu ja, de boel werd gerepareerd en gebleekt, en nu moet ik elke dag kritisch kijken of mijn tand niet té bleek wordt. Zodra ik tevreden ben, moet ik meteen terug, en dan wordt de voorlopige vulling veranderd in een definitieve. Joechei. Ik glimlach weer als een dolle. Behalve als ik met dit klamme rotweer een rottrein in moet met allemaal rottige tassen en een rothumeur. Dan is mijn glimlach ver te zoeken.

Ik kwam tegen vijven aan in mijn Gentse hotelkamer. Ik betrad de badkamer en zag mezelf in de spiegel. Ik dacht toen: jij gaat hier dus vannacht in je eentje slapen, sukkel. Loser. Dwaas. Aap. Want ik kan heel kritisch zijn als het om mijn aanblik in spiegels in vreemde hotelkamers gaat. Uit de tassen haalde ik wat spullen die ik die avond gerust kon missen, ik verkende de kamer een beetje, en vond een klein notitieblok met de hotelnaam erop. Ik overwoog nog: zal ik eens iemand een brief schrijven? Maar er kwam natuurlijk niets van. Ik had wel zin om een brief te schrijven, maar niet om die dan ook nog eens op te sturen. Ik had een beetje medelijden met mijzelf gistermiddag. Want dat gebeurt soms. Vooral als het te warm is en ik alleen op een hotelkamer zit. (Jullie zien: ik wil graag volstrekt duidelijk zijn over mijn erbarmelijke toestand.) Ik voorspelde: vanavond kom ik hier terug en dan ga ik de meubels eens even heel anders rangschikken. Ze doormidden hakken of er een paar het raam uit kukelen bijvoorbeeld.

Maar toen! Nu ja, toen ging ik op pad. Ik ging er het beste van maken. Er viel namelijk iets te vieren. Gisteravond zou Het spook van Toetegaai, de nieuwe prachtroman van de Vlaamse schrijver, gepresenteerd worden. (Overigens: koop dat boek eens!) We verzamelden ons bij de Vlaamse schrijver thuis, en vandaar gingen we naar het restaurant, waar mijn humeur er met sprongen op vooruitging. Die karaf rode wijn kon niet vroeg genoeg komen. Wel dacht ik heel de tijd: zou het goed gaan met de voorlopige vulling in mijn ene voortand? Maar dat ging het.

De presentatieruimte was een enorme lege hal met een bar, wat stoelen, enkele tafels en een podium. Wat een hippe ruimte, dacht ik toen ik er naar binnen liep, en ik pakte er meteen mijn hippe pose, mijn hippe loopje en mijn hippe handgebaren bij. Ik was zowaar in goeden doen. Ik haalde een glas wijn, ik maakte kennis met frisse, nieuwe mensen, ik haalde een glas wijn, ik maakte een praatje met een Vlaamse coryfee, ik schudde handen, ik haalde een glas wijn, ik belde even mijn echtgenote (die gewoon niet opnam), ik zette mijn beste beentje voor... ja hoor, mij kun je goed gebruiken op zo’n festijn. Na het spektakel (een voordracht over de roman zelf, wat klassieke muziek op cello en piano, en een dankwoord van de Vlaamse schrijver) begon er een dj te draaien en raakte ik in gesprek met een zeventienjarige jongen die het toneel op wilde (‘Altijd doen,’ moedigde ik aan), vroeg iemand me of ik een neerlandicus ben (‘Ja, maar dat is toeval, hoor,’ mompelde ik), en verbaasde ik me over de verplaatsbare toiletten die zich in de tuin bevonden. Ik was nog met iemand aan het praten toen collega Jochem de ruimte betrad en ik zei: ‘Kijk, het is collega Jochem!’ Ik stormde op hem af als nooit tevoren. De boeken die hij meebracht, lieten we signeren door de Vlaamse schrijver. Ik propte ze vervolgens in mijn tas, waarbij de rits het begaf. ‘Moet je zien,’ zei ik tegen collega Jochem, ‘ik maak hier zomaar mijn tas stuk.’ ‘Ja,’ troostte hij me, ‘die krijg je niet meer goed ook. Die is echt kapot.’

En toen was er ineens een moment waarop ik – al mijn remmingen waren nu weg – een van de zangers van het vroegere Soulsister aansprak met de woorden: ‘Zeg, nu ik jou hier toch zie: een van mijn eerst gekochte singles was een liedje van jou.’ Nu, daar kwam nog een Goed Gesprek van, waarin we bijvoorbeeld om en om een liedje van het Witte Album van The Beatles noemden en keken wie het eerst niets meer wist te zeggen. Het was al een stuk rustiger in de presentatieruimte en ik bevond me inmiddels op het punt waarop ik iedereen lief vond en waarop ik dacht: ik zou gerust een dansje willen wagen, maar zo in mijn eentje wordt dat een potsierlijke bedoening. Ik had, zo blijkt wel, mijn einde-der-tijden-houding van die middag volledig van me af geworpen. Dat het nu wel heel gezellig werd, bleek wel uit mijn onverwachte vraag aan de Vlaamse schrijver: ‘Zeg, Herman, kijk eens naar mijn ene voortand. Is die nu al lichter dan de tanden eromheen?’ Nadat hij me gerustgesteld had, was het langzamerhand tijd om naar het café te gaan.

En zo belandden we, hopsakee, in dat café. Ik zat er in een kring met onder anderen de Vlaamse schrijver, zijn vrouw, twee Vlaamse zangers, een Vlaamse Big Brother-deelnemer, een Nederlandse cellist, een Vlaamse pianiste, een Vlaamse striptekenaar en een Vlaamse tv-persoonlijkheid. Wat een leuke, aangename avond was het al met al toch nog geworden. Zó leuk en aangenaam zelfs dat ik toen ik tegen tweeën mijn hotelkamer betrad, afzag van mijn eerdere destructieve plannen en bijna meteen in slaap viel. Ik overwoog - wederom - eerst nog even een brief te schrijven, want dat notitieblok lag er nog altijd zo uitnodigend bij, maar ik moest wel even lachen toen ik zag hoe mijn handschrift er inmiddels aan toe was.

Om acht uur werd ik al wakker. Ik was weer eens vergeten de gordijnen te sluiten. (Wat ik nogal eens doe.) Ik keek de kamer rond en constateerde tevreden dat alles keurig op zijn plaats stond. Wat is me dat allemaal weer meegevallen, zou ik tegen mezelf hebben gezegd als ik zo iemand was die tegen zichzelf praat.

V.

0 Comments:

Een reactie plaatsen



<< Home