NIELS EN VINCENT BESTAAN 10 JAAR

maandag 27 maart 2006

& DE LENTE

Vanavond stond ik op een Delfts kruispunt te wachten bij het stoplicht, en terwijl ik wachtte, begon het op een Dag des Oordeels-achtige wijze te waaien en te wapperen, en ik zette me schrap, en ik hield me welhaast vast aan die paal waarop zo'n knopje zit dat je indrukt als je bij een stoplicht wacht (maar waarom in vredesnaam?), en ook zag ik een jogster, of nu ja, een hardloopster, en haar joggingbroek wapperde dat het een aard had, en ik zag haar af en toe omlaagkijken met een zo-wapperde-die-broek-nooit-eerder!-blik, en man, wat duurde het lang daar bij dat stoplicht, maar hoe hard het ook waaide & hoe hard het ook woei: het was lente. Om kwart over zeven 's avonds was het nog steeds licht, dus het was lente. Het was licht toen ik vanmorgen van huis ging, en ja, het was lente. Ik mocht dan bijna omverwaaien bij het stoplicht op dat kruispunt, maar: het was lente. Lente!

Gisteren wist ik het al, toen ik op weg naar onze videotheek om een gehuurde dvd terug te brengen. Ik liep zo'n beetje rond met mijn Patrick Bateman-grijns en ik dacht heel de tijd: het is lente! Lente! En ook dacht ik:

Ik wilde Sin City altijd al zien, al koesterde ik er geen hooggespannen verwachtingen van. Die verwachtingen bleken terecht. Sin City is een mooi stripboek en mooie stripboeken mocht ik vroeger graag lezen. Maar toen was ik 10.

& Capote daarentegen is een film die ertoe doet en die helaas vrijwel nergens te zien is. En Philip Seymour Hoffman is verdorie een Held van het Witte Doek.

& iemand zei me vorige week dat ze enkele grijze haren op de achterkant van mijn hoofd had gespot. Ik zei, met de mij zo eigen nonchalance, dat dat onmogelijk was, en dat het aan de lichtval lag. Ook zei ze dat ik met vingers als de mijne piano zou moeten spelen. Ik antwoordde dat ik dat als een compliment opvatte.

& wie op zoek gaat naar een kaartje om mensen te feliciteren die zojuist een dochtertje hebben gekregen, wordt onvermijdelijk geconfronteerd met de kleur roze.

& ik vraag me af hoe het kan dat ik vorige week nog 60 vrienden en vriendinnen had op Hyves terwijl ik er nu nog maar 59 heb. Iemand heeft mij uit zijn vriendenkring geschrapt en ik zou niet weten wie. En wat zegt het over mij en mijn virtuele vrienden dat ik niet in 1 oogopslag kan zien wie er ontbreekt? Hm.

& ik zou best eens een cd van Miles Davis kunnen kopen. En die dan thuis opzetten. En me een kop cappuccino bereiden. En in onze luie groene stoel gaan zitten met een roman van Toby Litt. En mezelf dan in Starbucks wanen.

& in onze koelkast staat een flesje bier dat tot juni 2005 goed was. We kochten het ooit voor als er visite zou komen die dol op bier was. Zulke visite krijgen we hier niet vaak. Ik vraag me af of ik zelf ooit bier zal gaan drinken. Nu ik al 29 ben, denk ik dat ik een veilige gok kan wagen: nee.

& dit weekend zocht ik in zes verschillende boekhandels naar In koelen bloede van Truman Capote. Hoewel ik vorige week nog ergens wat exemplaren had zien liggen, bleek het boek nu nergens meer voorradig. Ik bezocht zelfs de boekhandel met de verkoopster die me altijd schrik inboezemt. Ik zag meteen al dat ze het boek niet had, maar ik veinsde toch maar interesse in haar collectie. Toen er andere klanten binnenstapten, maakte ik dat ik wegkwam. Wel groette ik haar beleefd, want ik houd haar graag aan mijn goede kant.

& pas zei iemand me dat ik op deze site ergens het woord 'die' gebruikte, terwijl ik naar een onzijdig woord verwees. Ik schrok daar nogal van. Laat er geen misverstand over bestaan: jullie, mijn lezers, zijn er om mij op mijn fouten te wijzen. Ik word liever 10 keer berispt dan dat ik 1 keer een fout verwijswoord hanteer.

& soms vraag ik me zomaar af waar Floortje van Idols nu is. (Ik heb een tijdlang gedacht dat het laatste seizoen van Idols alleen om Floortje draaide, en dat de rest van de kandidaten een beetje voor de fop meedeed. Om de spanning erin te houden. Maar ik zag dan ook alleen elke week de uitslag en nooit de show zelf. Blijkbaar houd ik van uitslagen, en niet van shows.) En ook vraag ik me soms af of Floortje later op haar moeder zal gaan lijken, zoals Elsie altijd beweert. En of dat niet heel erg zou zijn.

& als ik dat intens vrolijke liedje 'Ooh La' van The Kooks hoor, en als die zanger van ze zingt: 'You feel that itch in your pettycoat / Your pretty pretty pettycoat', dan weet ik dat de lente van 2006 mijn nieuwe beste vriend is.

Lente!

V.

zondag 26 maart 2006

10 DINGEN DIE MEN DOET IN ZUID-FRANKRIJK

1. Tot het inzicht komen dat je huis niet af is zonder bonsaiboompje.
2. 4 boeken uitlezen.
3. Bij 23 graden petanque spelen.
4. Veel gin-tonics drinken.
5. Een nieuwe vorm van techno uitvinden.
6. Om half één 's middags Indonisch eten met de tuinman en zijn zoon.
7. Oesters kopen.
8. Snode plannen smeden.
9. Uitspraken doen als: 'Zie je dat schuurtje? Dat is een martelkamer.'
10. Tevreden vaststellen dat het weer in Barcelona ook uitstekend is. En graag naar huis willen.

N.

zondag 19 maart 2006

BOEKENBAL 2006

Het leek me chic om dit jaar de Stadsschouwburg te betreden terwijl ik werd geflankeerd door lievelingscollega B. en schrijvende vriendin J. Ik vind het Boekenbal altijd al een waar festijn, maar als ik word geflankeerd door twee vriendinnen, vind ik het nog festijner. Dit jaar pakte ik het ook wat de consumpties betreft chiquer aan: een strenge afwisseling van wijn en frisdrank behoedde me voor gênante conversaties (althans, waar het míjn kant van de gesprekken aanging) en voorkwam de zo gevreesde gaten in mijn geheugen. (De gaten die ik overhield aan recente verdronken avonden deden me besluiten maatregelen te treffen – en zodoende.)

Toen we om tien uur in de veel te volle hal van de schouwburg stonden, dachten we dat het snel rustiger zou worden als ons eenmaal doorgang tot de trappen en de bovengelegen etages werd verleend. Toen we tegen elf uur nóg opeengepakt in die hal stonden te wachten, en we allerlei volk van iets te dichtbij leerden kennen, ons intussen afvragend wat al die dwergen in de hal te zoeken hadden, vermoedde ik dat de organisatie snode plannen met ons had, maar goddank, we mochten éindelijk lopen. En lopen, dat deden we, zelfs toen een van ons opmerkte: ‘Je hoeft echt niet heel de tijd rondjes te lopen, hoor. Als je stilstaat, is er óók Boekenbal.’ Maar daar trok ik me weinig van aan. Ik liep en liep en liep, en na elk glas rode wijn bestelde ik een cola met een rietje.

In een van de zalen aanschouwden we een optreden van De Jeugd van Tegenwoordig. We waren blijkbaar iets te schuw met z’n allen, want een van de rappers moedigde ons aan om naar voren te komen: ‘Hier is nog een plekje.’ We stonden een tijdje grijnzend toe te kijken, maar bij hun 'Stofzuiger'-lied gaven collega B. en ik elkaar onze hier-zijn-we-verdorie-toch-echt-te-oud-voor-blik en liepen we schielijk de zaal uit. Dansen kon altijd nog, vonden we, en we hadden nog stapels consumptiemuntjes te besteden. Toen we uren later een blik in diezelfde zaal wierpen, zagen we een man met een saxofoon (of nu ja, een of andere toeter) met zijn armen over elkaar op het podium staan. Er was nochtans saxofoonmuziek (of nu ja, iets met van die toeterklanken) te horen. We vroegen ons af wat daar gaande kon zijn. Intussen zagen we een columnist/taalkenner op leeftijd een uiterst minimalistisch dansje uitvoeren waarbij hij iets met zijn armen deed en in zijn eentje heel de zaal doorkruiste. Collega B. merkte op: ‘Wat een funky bitch is die man.’

Verder was het een avond waarop ik door mensen werd aangesproken die meenden mij te kennen, en die, ook al zei ik van niet, dat gewoon vólhielden. Zo was er de jongen die me groette in een café en tegelijkertijd tegen zijn vrienden zei: ‘Kijk, hij herkent me niet.’ Toen ik zei dat ik hem inderdaad niet herkende, zei hij: ‘Je bent toch bevriend met Sander van L.? En je hebt toch geneeskunde gestudeerd?’ Ik ontkende het met verve en dacht er het mijne van. Dezelfde jongen bleek die avond op het Boekenbal rond te dolen, waar hij me steeds als ik hem zag enthousiast begroette. Toen we rond vier uur ’s nachts toevallig beiden bij de garderobe stonden, zei hij me: ‘Ik heb inlichtingen ingewonnen. Jij bent Vincent van Prometheus.’ ‘Zo is het,’ antwoordde ik, want ontkennen ging niet langer, ‘maar nu moet ik werkelijk gaan.’ Vriendin J. stond immers al te wachten bij haar fiets. (Ik mocht die nacht bij haar blijven logeren, maar alleen als zij mocht fietsen, zo zei ze, want in mijn fietsvermogens had ze weinig vertrouwen.)

En dan was er het meisje dat me op de dansvloer op mijn schouder tikte en zei: ‘Ik ben pas nog bij jou langs geweest met een collega. Je herkent me niet meer, maar het is pas een maand of drie geleden.’ ‘Waar werk ik dan?’ vroeg ik haar, want ik had geen flauw idee waarover ze sprak. Zij ook niet, zo bleek, want ze meende me bij Stichting Schrijvers School Samenwerking ontmoet te hebben, terwijl intussen iedereen toch weet dat ik bij de Grote Uitgeverij werk en nooit iets anders heb gedaan. Ze bleek een Ilse, en plots wist ze waar ze me dan wél van kende, want ooit, een jaar of drie geleden, moesten we elkaar eens de hand hebben geschud, maar haar herkennen, nee, dat deed ik niet.

Ook was het een avond waarop ik (soms te kort) sprak met talloze collega’s, oud-collega’s, schrijvers, journalisten, oud-studiegenoten, boekverkopers, webloggers, uitgevers en mensen die ik kansloos trachtte te ontlopen. En dan was er nog de bewonderde dichter die me toevertrouwde dat hij soms mijn weblog las. Hij zei me namelijk: ‘Jouw vrouw heet Elsie. Dat heb ik gelezen op je weblog.’ (Alleen de ware lezers van deze site denken dat mijn echtgenote Elsie heet.)

We liepen rondjes, we dwaalden door zalen, we beklommen trappen, we struikelden zo nu en dan over een loslopende dwerg, we namen plaats op de eerste rij, we dansten op N*E*R*D en Nirvana, we stonden steeds nét naast beroemdheden die op de foto gingen of voor een actualiteitenrubriek gefilmd werden, en iets voor vieren werden we vriendelijk gevraagd of we alsjeblieft eens weg wilden gaan.

(Ik nam overigens geen decorstukken mee. Ik heb dat bizarre ritueel altijd verfoeid. Om de woorden van een eminent classica aan te halen: ‘Kóm nou.’)

V.

woensdag 15 maart 2006

EEN GROUPIE IN BARCELONA (SLOT)

(Deel 2)
(Deel 1)

‘Ik ben Bambi,’ zei ze, ‘Wil je wat drinken?’
‘Ik ging net bier halen,’ zei ik.
‘Hoe moet ik dat bestellen?’
‘Je zegt: dos canas de Cruzcampo. Als jij er ook eentje wilt, tenminste,’ antwoordde ik.
‘Ik wil een witte Martini met ijs en citroen.’
‘Dan zeg je: Martini Bianco con yello y citron y una cana de Cruzcampo. Het zal niet helemaal kloppen, maar ze zullen je snappen.’
‘Oké.’

Ze legde de Neon op het tafeltje en liep naar binnen. Ik opende het boek op de Franse pagina. Er stond niets. Niks geen ‘Voor Desiré’. Niks ‘Van de Schrijver Zelve’. Niks ‘Voor altijd de jouwe’.

Goed. Niets aan de hand. Misschien heette dat meisje ook wel helemaal geen Bambi. Deed ze maar alsof. Zat ik hier in een soort van surrealistisch stuk, een vrije bewerking van een rammelend script, was ik onderdeel geworden van één of ander kunstproject van één of andere godvergeten kunstacademie. Of misschien, ja wat, eigenlijk? Wie verzint zoiets? Desiré notabene. Het was niet eens een mooie of aantrekkelijke naam.

Bambi kwam terug met de Martini en het bier. Zette de drankjes op tafel, ging zitten, deed haar Armani-jack uit, nam een slok, stak een sigaret op. Ik nam een slok van mijn bier. Eén van de laptopjongens keek me triomfantelijk aan. Geen idee waarom.

‘Ik heb in het boek gekeken,’ zei ik.
‘Wat waait het hier, zeg.’ Ze trok aan haar sigaret.
‘We zitten aan zee,’ zei ik, zonder na te denken. ‘Heb je een pen?’

Ze grabbelde wat in haar jack en gaf me een volmaakt zwarte Mont Blanc vulpen. Ik nam het boek, schreef er ‘Voor Bambi, Van de schrijver Zelve, Hartelijke groet’ in, en rende weg.

N.

zondag 12 maart 2006

EEN GROUPIE IN BARCELONA (2)

(Deel 1)

Ik nam een slokje koffie. Een slokje brandy. Toen maar die hele koffie naar binnen. Naast me zaten twee jongens met laptops. Van die heel platte, lichte, kleine dingetjes. Ze hadden oorbellen en a-symetrisch haar en zwarte, hoornen brillen. Dat maakte het er allemaal niet beter op.

Ook liep er een klein hondje rond, waarvan ik niet direct kon zien of die bij de laptopjongens hoorde, of bij de miljoenen mensen op het strand. Het hondje vond een stukje brood naast de enorme parasol, die goddank niet uitgeklapt was, schrokte het op, leek even te stikken, braakte, en vrat toen alles weer op. Hij kwispelde toen-ie in draf richting de Twin Towers gallopeerde.

Allemaal leuk en aardig, zo redeneerde ik, dat hondje en die jongens met hun laptop, en dat model daar verderop, die, zover ik kon zien een zilverkleurige bikini verwisselde voor een zwart-wit gestreepte, maar waar bleef die Bambi? Ik keek op mijn telefoon, het was tien voor vier inmiddels, sloeg de brandy achterover en stond op om dan maar in godsnaam aan het bier te beginnen, toen ik een hand op mijn schouder voelde.

'Jij bent Niels, niet?' hoorde ik achter me.

Ik draaide me om. Voor me stond een vrij klein meisje. Bruin, warrig, lang haar. Groene ogen, opgemaakt met veel, veel zwart. Neon in de hand. Paarse nagellak. Nogal grote oorbellen. All Stars. Rokje. Armani spijkerjack.

'Ja,' zei ik.

N.

(Wordt Vervolgd)

donderdag 9 maart 2006

MIJN ENORME ZELFBEHEERSING

Toen we om halftwee ’s avonds bij de dichter thuis belandden om nog wat te drinken, waren er drie mensen bij die ik – tot die avond – nooit eerder had gezien. Een van hen dacht dat ze mij wél kende, want een halfuur tevoren was ze op me af gelopen met de woorden: ‘Wie ben jij toch? Ik vraag me dat al heel de avond af.’ En hoe graag ik ook met een duizelingwekkend antwoord was gekomen (als iemand zich heel de avond iets afvraagt, stel je algauw teleur), ik vertelde haar maar gewoon wie ik was & waarom ik die avond daar was & en waar ik vandaan kwam & wat al niet meer, waarop zij concludeerde: ‘Nee, dan ken ik je nergens van.’ Ik vroeg haar: ‘Wil je soms mijn visitekaartje?’, want het was een avond waarop ik visitekaartjes met me mee droeg – je weet immers maar nooit. Naast haar stond een jongen die voortdurend riep: ‘Ik ben de beste corrector van Nederland!’ Aanvankelijk haalde ik mijn schouders erover op, maar toen hij het maar bleef herhalen, vroeg ik ook hem: ‘Wil je soms mijn visitekaartje?’

Een halfuur later dus zat de dichter op de bank, met het meisje dat me ergens van dacht te kennen aan zijn ene kant en een man die geen enkele rol zal spelen in dit verhaal aan zijn andere. Aan weerskanten van de bank stond een stoel. Op de ene zat ik, op de andere de beste corrector van Nederland. Toen hij dat weer riep, dat hij de beste was, zei ik nog: ‘Laat maar eens wat zien dan’, maar zoals dat gaat: er kwam even niets van. De tv stond aan en we zapten wat rond. We zagen dat Nederland rood kleurde (zoals ik de volgende ochtend in krantenkoppen vermeld zag staan, terwijl ik ‘tut-tut’ dacht en ‘wel wel’), en opnieuw zei het meisje dat ze dacht me ergens van te kennen. Voordat ik iets kon zeggen, bralde de stercorrector er alweer doorheen, en hij zei me: ‘Ja, dat is, en je moet het maar niet verkeerd opvatten, omdat je een beetje op John Cusack lijkt.’ Ik vatte het niet verkeerd op (ik hoor het al jaren en ik zal het tot mijn dood horen, zelfs al begint John Cusack de laatste tijd een beetje puffy te worden – maar goed, dat kan ik ook natuurlijk; dat gestroomlijnde postuur van me schud ik van me af wanneer ik maar wil), maar ik zag dat het meisje haar schouders ophaalde bij zijn stelling, en ik dacht: om zo’n jongen haalt kennelijk iedereen zijn schouders op, maar hij is dat misschien wel gewend.

Er was wijn die avond, Nederland kleurde rood, ik had twee visitekaartjes uitgedeeld, ik had een interview bijgewoond, ik had met boekhandelaren en bigbandmuzikanten gesproken, men stelde mij talloze keren de vraag ‘Jij hebt zeker Nederlands gestudeerd?’ als ik vertelde dat ik de redacteur van de dichter was, en nu zat ik thuis met die dichter, maar ook met iemand die zich luidkeels presenteerde als beste corrector van Nederland, een man die geen rol speelt in dit verhaal en een meisje dat mij al dan niet ergens van kende. Ik had er vrede mee, totdat ik zag hoe de corrector aan de panty van het meisje begon te plukken.

Wel had ik ooit. Ik zei hem: ‘Als jij straks van die stoel opstaat, makker, neem ik je plaats in. Er wordt hier niet zomaar aan panty’s geplukt.’ Weldra stond hij van zijn stoel op om naar het toilet te gaan, ik nam zijn plaats in, en ik vroeg het meisje: ‘Waar komt dat accent van jou eigenlijk vandaan?’, maar een erg leuke vraag vond ze dat volgens mij niet. Intussen begonnen ook de andere twee mannen aan haar panty te plukken, het leek verdorie wel een gezelschapsspel, en het meisje keek alsof ze wilde zeggen: ‘Er wordt hier door iedereen maar aan mijn panty geplukt, maar het is twee uur ’s nachts en Nederland kleurt rood en er is wijn en wat kan mij het allemaal verrekken.’ Toen de corrector de kamer weer in liep, zei ik tegen het meisje: ‘Is het jou wel opgevallen dat ik hier de enige ben die níet aan jouw panty zit? Ik beschik over een enorme zelfbeheersing, vind je niet?’ Ja, dat vond ze. ‘Maar jij draagt dan ook een trouwring om je vinger!’ riep de corrector, die zijn zelfbeheersing intussen al láng kwijt was. Ik bleef echter doodkalm en vroeg: ‘Wat heeft dat er nu mee te maken?’ En even dacht ik dat we naar buiten zouden stappen, hij en ik, om onze mouwen op te rollen en elkaar eens flink de waarheid te zeggen, maar algauw besefte ik: nee, gevochten heb ik al niet meer sinds 1988, en zo moest het maar blijven.

Op dat moment legde de dichter, hopsakee, een matras neer, midden op de woonkamervloer, en zei hij tegen de drie gasten: ‘Tjonge, halfdrie alweer.’ En nog voordat je de woorden ‘vijf over halfdrie’ kon zeggen (ervan uitgaande dat je een aantal glazen wijn had gedronken) stonden die drie gasten buiten. Ik poetste mijn tanden, zag mijn die ochtend door de tandarts in alle glorie herstelde voortand blikkeren in de badkamerspiegel, zette de wekker op mijn telefoon en ging liggen. En vlak voordat ik in slaap viel, dacht ik: ik word omringd door mensen die willen dat ik verhalen over ze schrijf, het kan haast niet anders.

V.

woensdag 8 maart 2006

EEN GROUPIE IN BARCELONA

Ik kreeg een mail van iemand die zich Bambi noemde. De mail, ik parafraseer hier, ging erover dat zij - het was een meisje, kwam ik later achter - mijn eerste boek had gekocht in De Slegte, een gesigneerd exemplaar, waarin ik, op 21 september 2000, had geschreven ‘Voor Desiré, Van de schrijver zelve, Altijd de jouwe’.

Ik dacht dat, met een aan zekerheid grenzende zekerheid, dat ik nog nooit een boek had gesigneerd voor een meisje dat Desiré heette, laat staan dat ik voor altijd de hare was, maar goed, zo zei ik tegen mijzelf, ik was ook niet altijd heel helder tijdens het signeren van boeken, en die vier woorden, ‘Van de schrijver zelve’, ja, die had ik tig keren neergeschreven.

In de mail vroeg deze Bambi of we elkaar wellicht konden ontmoeten. Ze had via deze site vernomen dat ik tegenwoordig in Barcelona woonde. Zij was daar nu met haar ‘school’, zoals ze ze schreef, ‘op excursie’ en ze zou graag zien dat ik ‘pontificaal de naam Desiré doorstreepte en daarvoor Bambi in de plaats zou zetten’.

Ik stelde voor dat we elkaar zouden treffen in Bar Daquiri, een café niet ver van mijn huis, direct aan zee, waar het over het algemeen druk was, de barmannen me kenden en bovendien met een terras. Ik schreef haar dat ik rond half vier op haar zou wachten op het terras en dat ik te herkennen zou zijn aan mijn uitzinnig aan een knipbeurt toe zijnde rock’n’roll-haardos.

Ik moet toegeven dat ik lichtelijk nerveus was, toen ik naar Daiquiri liep. Het was prachtig weer, zoals het hier bijna altijd prachtig weer is. Er dreven surfers in de branding, er lag een model halfnaakt tegen Rebbeca Horn’s Estil Feret, terwijl een groep van ultiem lelijke Catalanen er naar stond te kijken, toeristen zaten in blote bast bier te drinken.

Ik liep Daquiri binnen, bestelde een koffie en een brandy en, nadat ik de dranken had gekregen, liep weer naar buiten.

(Wordt vervolgd)

maandag 6 maart 2006

VLAK VOOR DE VERKIEZINGEN

Ik vind het natuurlijk alleen maar hip om zo'n titel boven een volstrekt apolitieke tekst te plaatsen, want wie denkt dat ik hier over politiek ga schrijven, is een naïeveling en een volstrekte zot. Liever heb ik het over het liedje 'Funny Little Frog' van Belle and Sebastian dat heel de tijd door mijn hoofd spookt alsof er voorheen een grote holle leegte in dat hoofd zat die dringend gevuld diende te worden. Jullie zien wel: mijn vergelijkingen zijn beklagenswaardig en een dichter zal ik nooit worden. Wel zal ik morgen het glas heffen omdat de nieuwe prachtbundel (mét cd) van vriend Hanz wordt gepresenteerd. Die bundel (mét cd) heet Wegsleepregeling van kracht en als je weet wat goed voor je is, schaf je hem aan. (Of je krijgt hem cadeau van iemand en dan praten we nergens meer over.)

Maar waar waren we gebleven? Och ja, het lied dat regels bevat als 'You are my girl, and you don't even know it, / I am living out the life of a poet'. Het lied dat me gisteravond uit mijn slaap hield en waarmee ik vanochtend opstond, volop beseffend dat er een nieuwe week was begonnen, een week waarin alles zou deugen. Zo zag ik op het nieuws al dat Philip Seymour Hoffman - o, held van het witte doek - een Oscar had gewonnen voor zijn rol in Capote. En hoewel ik Capote nog niet heb gezien, juich ik heel de dag in stilte in de wetenschap dat Philip Seymour Hoffman - o, held van het witte doek - een Oscar heeft gewonnen. Want wél zag ik Almost Famous en State and Main en Boogie Nights en Magnolia en 25th Hour en Punch-Drunk Love en The Talented Mr. Ripley en Happiness, en in al die films speelde hij - o, held van het witte doek - rollen om nooit meer te vergeten.

Maar waar waren we gebleven? Och ja, die Oscar-uitreiking, en hoe Christian M. zichzelve al zo'n tien keer tot Winnaar van het Jaar heeft uitgeroepen bij onze comments, zelfs al lang voordat de uitslag bekend was. We drukken Christian M. de hand en belonen hem met exclusieve toegangskaarten voor Niels en Vincent Land, het weergaloze, bloedstollende, enerverende themapark waar een kogelvrij vest geen overbodige luxe is, en een cynische inborst evenmin. De Oscar-uitreiking van 2006 zal hem nog lang heugen. Als extraatje, als toegift, als uitsmijter als het ware, trakteren we Christian M. op een link naar zijn eigen schrijverij, en we zijn nú al benieuwd naar zijn voorspellingen voor 2007.

Maar waar waren we gebleven? Och ja, het lied dat me doet vergeten dat er een stuk van mijn voortand verdwenen is, omdat regels als 'I am the jester in the ancient court, / You're the funny little frog in my throat' door mijn hoofd zoemen als een horde uitzinnige bijen. Toch bezoek ik morgen de tandarts die mij in noodgevallen altijd ter zijde staat, ook al zijn die noodgevallen de laatste tijd nóg zo talrijk. Ik knik hem tegenwoordig toe met mijn 'het is me allemaal wat & hoe lang duurt het nog voor de hele boel er gewoon eens uit klettert?'-blik, maar na afloop wandel ik immer opgewekt naar buiten.

En dáár waren we gebleven. Bij liederen die de lente aankondigen alsof het niets is. Helden van het witte doek die grote prijzen winnen. Tandartsen die alles altijd weer rechtzetten en aan elkaar plakken. Dichters die schrijnende verzen schrijven en ze bundelen (mét cd). Koppen koffie verkeerd en glazen spa rood die nu nog achter glas gedronken worden, maar spoedig weer op terrasjes. En gemeenteraadsverkiezingen, want nu ja, wie zo'n titel boven een stuk tekst plaatst, komt er vroeg of laat op terug.

Laten we morgen stemmen, jongens en meisjes en Christian M. En luister 'Funny Little Frog' eens, willen jullie?

V.

zondag 5 maart 2006

GAY-VRIENDELIJK

Zo gingen S. en ik eten in La Verònica. Een nogal strak ingerichte pizzeria op Avinyó in Gothic, met flinterdunne pizza's, designsalades en een aardige rode huiswijn.

La Verònica stond bekend als 'gay-vriendelijk', zo had ik overal gehoord en overal gelezen. Dat we het wisten. Wat ís een 'gay-vriendelijke' pizzeria, had ik me van te voren afgevraagd. Liepen daar allemaal vriendelijke gay's rond? Of was het juist vriendelijk op een gay'e manier? Waren de servetten miniatuur-homovlaggen? Was er een mogelijkheid om na het dineren je discreet terug te trekken in een darkroom, waar tevens dessert kon worden genuttigd? Was het een eufemistische manier om te zeggen dat hetero's gans niet welkom waren? Projecteerden ze er de The Sound of Music op de muur? Grease? Kwam Madonna er vaak? Kylie Minogue? Hadden ze Modern Talking geboekt als huisband? Was Norbert Splint de eigenaar? Misschien kwamen we Craig Hill wel tegen, de hilarische Schotse standupper die we dat weekend hadden gezien. Die was ook homo, immers. En iedereen weet dat lachen na het eten heel gezond is.

Welnu, geen van dat al. Ja, er liepen wat kaalgeschoren homo's rond in de bediening, die netjes je jas aannamen. De pizza's waren voortreffelijk. Het zat propvol met stelletjes die, als je goed keek, allemaal uit een mannetje en een vrouwtje bestonden. Het was, kortom, nogal een openbaring, dat 'gay-vriendelijk'. Het was, kortom, feitelijk nogal saai, dat 'gay-vriendelijk'.

Later, toen we eerst nog een cockail dronken in Ginger, en uiteindelijk in Bar Central (noemen we zonder enige schroom onze 'stamkroeg'), de avond afsloten, probeerde de kebabman S. op haar bek te pakken toen ik naar het toilet was.

N

woensdag 1 maart 2006

NIEUWE LENTE, NIEUW GELUID, ETC.

Hoewel het een maand geleden is dat ik hier iets schreef, heb ik geen excuus voor mijn afwezigheid. Althans, ik heb geen excuus dat het plaatsen waard is. Maar ik was niet op vakantie, ik was niet in mineur en ik was niet op zoek naar mezelf. God, nee. Ik hield me gewoon een beetje op de achtergrond. Ik observeerde. Ik had ineens over heel veel dingen geen mening. En als ik er per ongeluk toch een had, ruilde ik die vijf minuten later in voor een volstrekt andere.

Ik was aan het werk. Ik hield rust. Ik stond erbij en keek ernaar. Ik dacht het mijne van het een en ander. En ik oordeelde: een maand kan misschien nét, maar als ik nog langer zwijg, ga ik te ver. Ja, nu komen jullie nog met 200 man tegelijk langs, elke dag weer, ook al zijn er slechts 2 nieuwe stukkies geplaatst in 4 weken tijd, maar ik mag er niet zomaar van uitgaan dat het zo blijft.

Kortom: laten we schrijven. Laten we terugkeren. Laten we weer onderwerpen bedenken. Laten we weer meningen krijgen. Laten we weer spitsvondig zijn. Laten we weer eens wat bloed onder nagels vandaan halen.

Maar vooral: laten wij dat doen. En niet ik alleen. Laat Niels en Vincent een nieuwe fase in gaan. Omdat alleen tekst ook heel stoer is.

V.