NIELS EN VINCENT BESTAAN 10 JAAR

maandag 30 januari 2006

EINDELIJK

Een tijd geleden hadden Vincent en ik dit gesprek. Ik las het vandaag toevallig. En bij deze regels

N: Nu, wie is die man die ik dan bedoel?
V: Eh. Omschrijf hem eens?
N: Zo’n zanger. 1 klein hitje.
V: Ik heb meer nodig dan dat.
N: Tja, mager, maar wel spieren, beetje eng, maar ‘model-achtig’ gezicht. De naam is 1 woord.
V: Ik heb geen flauw idee, broeder.
N: Lied zou ‘Cry’ kunnen heten.
V: Zou ik het kennen?
N: Jij kent alles, man.
V: Daar zit wat in.
N: Pea? Kan dat?
V: Zegt me niets.
N: Was er een zanger die Pea heette? Of verzin ik dit gewoon ter plaatse?
V: Voeren we dit gesprek nu echt?
N: Ben bang van wel. Hé, bedankt, man! Met je Mishka! Zit ik met een zanger zonder naam en zonder lied in mijn hoofd!

sprong inene de naam van die doodenge gast me te binnen: Ké! Zó heette die gast. En Strange World, zo heette dat minihitje van 'm, dat ergens in 1996 uitkwam en toentertijd regelmatig op MTV kwam.

Ik weet niet of het jullie wat uitmaakt, maar mijn dag is prima. Goud.

N.

zondag 29 januari 2006

2 UPDATES

1. Er zit een dak op ons Huis In Aanbouw.

2. We hebben een stagiaire gevonden en ze begint woensdag.

Tweemaal: joechei.

V.

donderdag 26 januari 2006

DAKLOOS

Vaak vraagt men ons: 'Hoe staat het eigenlijk met jullie nieuwe huis?' Het is nu immers ongeveer een jaar geleden dat Elsie en ik een huis kochten in een nog geheel aan te leggen wijk in de prachtstad Delft. De fans onder jullie herinneren zich misschien dat we niet zozeer een huis kochten, als wel een kavel. We plaatsten wat handtekeningen, we voerden wat gesprekken en we kochten een kavel. Hoe dan ook: na een jaar verwacht men dat je er ook wel eens in gaat wonen, in dat huis dus. Men denkt dat zo'n huis af komt. Dat het bewoonbaar wordt. Maar wij zeggen altijd: 'Er zit nog geen dak op.' Want zo is het. We hebben al in onze straat gelopen, we hebben al binnen onze muren gestaan, we hebben gezien waar de trap naar boven komt en hoe ver we onze tuin in kunnen lopen (die we, jullie kennen ons, ogenblikkelijk zullen laten betegelen). Zelfs hebben we vluchtig kennisgemaakt met onze toekomstige buren.

Niet zo lang geleden kregen we een brief waarin ons werd medegedeeld wat ons adres zou worden. Ik ken dat adres nu. Dat wil zeggen: ik ken de straatnaam en het huisnummer - de postcode heb ik wel gezien, maar voordat ik die uit mijn hoofd ken, wil ik dat er verdorie een dak komt. De groupies onder jullie kennen mijn inmiddels gevleugelde woorden: 'Zonder tegels geen tuin, en zonder dak geen postcode.' Intussen moeten we wennen aan die straatnaam. We hebben er onze twijfels over. Soms noemen we de naam als iemand ernaar vraagt en schamen we ons stilletjes. Soms noemen we het huisnummer erbij, om de sfeer nog enigszins te redden. Soms geven we gewoon geen antwoord, omdat we niet graag bespot worden.

Morgenmiddag is er weer eens een gelegenheid om over het bouwterrein te lopen. Om een beetje met onze schoenen door zand en modder te waden, als bevonden we ons op een popfestival, op zoek naar onze tent. We zullen er zien hoe alle huizen af komen, behalve het onze. We zullen er constateren dat er nog immer geen dak op ons huis zit. En terwijl we langzaam het terrein af lopen, zal ik misschien wel zeggen: 'Straks, als we eindelijk ons huis in mogen, als we de straat zullen bewonen met De Naam Die Niemand Ooit Mag Uitspreken, dan is het zomer. Dan is zo'n dak misschien niet eens nodig.' Ook zal ik dan mijn schouders ophalen, heel nonchalant, alsof het niets is, want tja, de amateurtoneelspeler in mij vecht zich soms gewoon een weg naar buiten.

V.

maandag 23 januari 2006

DE DINGEN DIE IK TOT NU TOE VOOR ME HIELD

Dat ik zojuist eens keek wat ik hier precies een jaar geleden schreef. En dat ik mezelf erover verbaasde hoe snel 'precies een jaar' voorbijgaat. Als ik het teruglees lijkt wat ik schreef me eerder een paar maanden oud dan een heel jaar. Twaalf maanden geleden wond ik me op over bepaalde woorden en nu doe ik het nog, zij het minder. (Is het mijn verbeelding of zijn de woorden die ik vorig jaar in de ban deed een stille dood aan het sterven? Ik juich maar niet te vroeg.) Misschien is mijn perceptie van het begrip 'jaar' gewoon aan verandering toe. Misschien gebruik ik het woord 'perceptie' hier wel verkeerd, bedenk ik nu, op dit moment. En erachteraan denk ik: en? Niemand maakt me wat op mijn eigen site. (Behalve Niels misschien, maar wie heeft die jongen hier recentelijk nog gezien?)

Dat collega B. en ik wederom op zoek zijn naar een nieuwe stagiaire. Iedereen die zich aangesproken voelt verwijs ik voor de zekerheid meteen door naar deze site, opdat de eisen en taken en wat al niet bekend verondersteld mogen worden tegen de tijd dat je ons een briefje of korte mail stuurt. Spoedige reacties vinden we leuk. We vinden ze leuker dan het leven zelf.

Dat broer Joey's nieuwe lied 'Spy vs Spy' swingt als een beest. Ik zou het jullie hier graag laten horen, als ik had geweten hoe. Misschien weet broer Joey zelve raad?

Dat ik zaterdagavond een festijn bezocht in het plaatsje V. en dat een vrouw uit Taiwan dacht dat ik niet Nederlands was, daar ik er 'niet Nederlands uitzie'. Dat een Frans meisje me vertelde dat ze af en toe wat woorden Nederlands opsteekt door de tennislessen die ze in Delft volgt. Dat ik daarop antwoordde dat ik ál mijn Nederlands op tennislessen heb geleerd. Dat er quiches waren, en chocolademousse, en gevulde pompoenen, en tortilla's, en ook was er tiramisu en sushi en nu ja, er was nogal veel. En sinds zaterdagavond kijk ik af en toe in de spiegel en denk ik: jij ziet er helemaal niet Nederlands uit, makker.

V.

zondag 22 januari 2006

AFWIJKEND GEDRAG


Mijn onvermogen me aan groepen aan te passen I

*


Mijn onvermogen me aan groepen aan te passen II

V.

donderdag 19 januari 2006

ZONDAGOCHTENDONRUST

Terwijl de zondagochtendonrust door mijn hoofd woedde, zoals tegenwoordig vrijwel wekelijks het geval is, stond ik nog eens stil bij de kansen en mogelijkheden, overwoog ik wat ik allemaal nog moest doen, en het ene voornemen buitelde over het andere heen. Kort samengevat moesten de volgende dingen heel, heel dringend gebeuren:

Verjaardagen moesten worden gevierd, verhalen moest ik nog schrijven, abonnementen moesten worden verlengd dan wel stopgezet, overhemden moesten worden gestreken, manuscripten moesten worden beoordeeld en dvd’s moesten worden bekeken (maar dan met het audiocommentaar erbij).

Ik moest boekpresentaties, housewarmingparty’s en toneelstukken bezoeken en e-mails eindelijk eens beantwoorden, kranten moesten op de oud-papierstapel belanden, foto’s moesten worden geretoucheerd en lijstjes moesten worden samengesteld.

Complimenten moest ik maar eens accepteren en adviezen diende ik voortaan in de wind te slaan of, beter nog, op te volgen. Anekdotes moest ik nog vervormen of zelfs fingeren, feiten diende ik te verhullen, en bepaalde lunchafspraken moest ik spoedig nakomen.

Ik zou vrienden nog cadeaus kunnen geven, en ze daarna op de trein kunnen zetten en ze uit kunnen zwaaien. Heimelijk zou ik proberen elk afscheid uit te stellen, maar pas na samen aangeschoten te zijn geraakt en elkaar Ware Woorden te hebben toevertrouwd. Ik moest Het Lot omarmen, stiltes in acht nemen en sommige dromen eindelijk dromen.

Maar eerst moest ik nog wat herinneringen verwerken en marginaliseren, gebeurtenissen fictionaliseren, mysteries ontrafelen, uitspraken interpreteren, tussen de regels door dingen insinueren, mensen troost bieden, en tranen verdringen bij bepaalde liedjes. Vriendschappen moest ik nodig aanhalen, wereldreizende collega’s weer in de armen sluiten, half gelezen boeken toch weer oppakken, beginnende schrijverschappen aanmoedigen en zo nu en dan ‘Fall At Your Feet’ zachtjes voor me uit neuriën, en ten slotte de stijlmiddelen uitputten en mijn eindeloze opsommingen afronden.

Ik overzag de ravage en dacht: het is maar een zondagochtend. ‘Misschien zou ik gewoon een beetje tot rust moeten komen,’ zei ik tegen Elsie, en zij beaamde dat.

En voorzichtig verheugde ik me op de toekomst.

V.

vrijdag 13 januari 2006

VRIJDAG DE 13DE IN CITATEN

Een ongewenste vrouw aan de telefoon vroeg me of ik geïnteresseerd was in een andere creditcard met interessante aanbiedingen. 'Nee hoor,' zei ik.

De cd-verkoper bij wie ik de soundtrack van High Fidelity afrekende, zei me: 'Vorige week was die film weer op tv. Ik heb hem nu al vier keer gezien. Hij is zó herkenbaar.'

Oproepkracht R. zei me aan de telefoon dat ik moest genieten van mijn vrije dag en dat iedereen van mijn afdeling me de groeten deed.

Toen een onbekend meisje in de trein plaatsnam tegenover me, vroeg ze me: 'Mag ik een stuk van je krant lenen? Ik wil wel ruilen tegen een chocolate chip cookie?'

De leraar en oud-mentor van wie ik van 1988 tot 1994 les had en die ik zomaar in de tram tegenkwam, zei me: 'Ik weet nog vrijwel alle namen van mijn mentorklasleerlingen. Kom, hoe heet jij ook weer?'

Toen ik ergens een cappuccino wilde kopen, stamelde ik, enigszins afgeleid: 'Ik mag graag... eh, ik zou graag...'

Op mijn iPod hoorde ik iemand zingen: 'There's an upside. There has to be an upside.'

Iemand mailde me: 'Gaan we snel weer koffiedrinken?'

Een weblogvriendin vroeg me of ik een gastbijdrage wilde leveren aan haar site. Ik antwoordde: 'Ik kom er snel op terug bij je. Denk ik.'

Een ongewenste (en welhaast stotterende) man aan de telefoon vroeg me of hij mijn vrouw 'drie of vier vraagjes' over Natuurmonumenten mocht stellen. Toen ik zei dat zij niet thuis was, viel hij even stil. Ik vroeg: 'Er is zeker geen haast bij?' (En ik dacht: twee van die ongewenste telefoontjes op één dag? Willen ze me gek maken? Kunnen die apen me niet eindelijk met rust laten?)

En ten slotte zei iemand me dat alles heus goed zou komen. Dat wist ze zeker - en daardoor wist ik het ook.

V.

maandag 9 januari 2006

NIELS EN VINCENT TONEN HUN GEVOELIGE KANT


N: Gisteren King Kong gezien.
V: En?
N: Goed wel. Alleen de zaal was nogal ruk. Slecht geluid. Slecht beeld. Nam toch een hoop plezier weg.
V: Jij maakt je dan druk. Jij zou dan graag wat mensen neerkegelen. En ik! Ik zou zelfs spuwen. In het rond dan nog.
N: Maar er zaten kleine jongetjes naast me. En die vonden het al zo eng.
V: Was die aap wel te zien? Of kon je hem alleen maar vaag onderscheiden, qua contouren en zo?
N: Die aap was goed te zien. Vooral in close-up.
V: Wel heb ik ooit.
N: Doch serieus. Het is een goede, maar geen perfecte film. Spektakel, dat wel. En zielig. Oef.
V: Lost in Translation, dát is een perfecte film. Ik lees trouwens steeds dat die King Kong-scène op het ijs zo ontroerend is.
N: Neuh, die was vooral grappig. Beetje cheesy.
V: Die scène zou ik anders wel eens willen zien. Ik zou graag eens stilletjes in huilen uitbarsten.
N: Genoeg momenten om stilletjes in huilen uit te barsten, hoor.
V: Bij die film? Of in het leven?
N: Beide. Maar in deze film wordt dat nogal aangezet. S. zei na afloop: één keer huilen in een film, prima. Twee keer, ook goed. Maar dus niet zo vaak als bij deze film.
V: Zoals bij The Champ. Man. Ik kan die film nog steeds niet zien. Ik kan dat niet aan.
N: Dit is erger, hoor. Ik heb echt diep adem moeten halen op sommige momenten. Dat heb ik dus echt nooit.
V: Poeh. Nu ben ik eens benieuwd.
N: Het raakte me. Niet alleen op de momenten dat zowat iedereen wel moet huilen, maar gewoon door de hele context.
V: Zo'n aap en zijn meisje. En zo.
N: Ja, maak maar grappen, maar ik wil jou nog wel horen piepen als je daar straks zit. En als je die kleine details opmerkt.
V: Ik zou tranen met tuiten huilen, mij kennende. Weet je dat ik een heel emotioneel mannetje ben? Ik ben een dweper, hoor.
N: Ja, jij huilt wel vaker bij films.
V: Bíjna, Niels. Altijd nét niet. Maar als ik op die momenten door iemand word aangesproken, en diegene zegt bijvoorbeeld: 'Zielig, niet?', nu, dan ga ik, hoor. Dan ben ik verloren.
N: Ja, dat ken ik wel een beetje. Ik heb speciaal maar niets tegen S. gezegd op sommige momenten. Dan keek ik opzij, en dan liepen de tranen over haar wangen, en ik wist: o, god, als ik nu iets tegen háár zeg, dan ga ik ook.
V: Wij, de emotionelen der aarde, zullen eens de scepter zwaaien, denk ik. Tjonge, ik kan niet meer normaal praten. Een fuck the system-bui, ik.
N: Hoe komt dat dan?
V: Geen idee. Weinig geslapen vannacht. Misschien dat.
N: Ja, dat kan doorwerken.
V: Zeg, ik vind de 4de 24-serie niet zo bijzonder. Wat te doen?
N: Waar ben je nu?
V: Palmer is net tevoorschijn gekomen. Om die aap te assisteren. Nog 6 afleveringen te gaan of zo.
N: De laatste zijn wel goed, hoor. Maar inderdaad: een minder seizoen.
V: Mijn hart brak zowat toen Tony verscheen. Ergens in aflevering 8 of zo. Ik was hem gewoon helemaal vergeten. Arme Tony.
N: Hij was er ook niet al te best aan toe. Met dat vage wijf.
V: Ja! Dat vage wijf! En o ja, ik zag dit weekend eindelijk Broken Flowers.
N: Hoe was die dan?
V: Tof. Jammer dat het zo plots was afgelopen.
N: Jim Jarmusch toch? Die heeft daar een handje van. Die denkt: tja, geen idee hoe verder nu, weet je wat? Ik stop gewoon. Die gast is niet helemaal tof, hoor.
V: Bill Murray dan! Wat een held.
N: Jammer dat hij nooit een Oscar gaat winnen. Als er gerechtigheid bestond had hij die voor Lost in Translation gekregen. Je zult zien: die oude zakken van de Academy geven hem over 20 jaar een honorary-Oscar.
V: Zo dichtbij komt hij nooit meer. Sean Penn won dat jaar. Die is anders ook hip.
N: Ik vind hem niet zo goed. Ik vind hem overschat.
V: O.
N: Hoe is het verder? Is jullie huis nu eens een keer klaar?
V: Welnee. Pas ergens in de zomer toch.
N: Duurt ook eeuwen, zeg. Ik bedoel: je studeerde nog toen je dat huis kocht, man.
V: Echt niet. Toen ik studeerde dronk ik nog niet eens.
N: Jawel toch? Was je al klaar met je studie toen ik ooit dat glas wijn voor je neerzette?
V: Ja. 1999: afstuderen. 2000: rode wijn.
N: Het was aan die tafel in de keuken van J.
V: Daar was het. Ik zal het altijd onthouden. Jij ook. Ik was meteen verkocht. Hoppa.
N: Precies. Was erg grappig.
V: Jammer dat er geen 1 comment op mijn stukkie komt.
N: Inderdaad. Zelfs niet door de oproepkracht zelve.
V: Met wie ik vanmiddag overigens wederom ging koffiedrinken. Dit keer beloofde ik haar er niet over te schrijven.
N: Was ze niet blij met het stukkie?
V: Ze vond het juist heel leuk. Maar dit leek me wel zo ontspannen. En de chesterfields waren vrij.
N: Ik moet naar de kapper. Wat zeg je me daarvan? Of zal ik het gewoon lang laten groeien?
V: Nee. Nimmer. Die tijd ligt achter ons.
N: Van dat halflange, Strokes-achtige, rock-'n-rollhaar?
V: Nee, Niels. Sorry.
N: Echt niet?
V: Nee. Driewerf.
N: Goed. Even wat te drinken pakken. Ik heb erg goede rode rioja.
V: Geef me wat, broeder.
N: Ken jij deze site? http://cheston.com/pbf/archive.html? Ik lees 'm al een hele tijd. Geniaal. Stripjes.
V: Ik zal eens zien.
N: Doe dat. Het zal je bevallen, geloof me.
V: Goed. Ik ga even weg. Nu. Denk ik.
N: Is goed, makker. Zie je later wel weer.
V: Booyaka! En zo.
N: Bo!

V.

zondag 8 januari 2006

DE BELOFTE INGELOST

Toen ze net bij ons kwam werken, als oproepkracht – naar aanleiding van een advertentie op deze site –, moest ze nogal aan ons wennen, zo vertelde ze me na een tijdje.

Wacht. Dat verwoord ik niet geheel correct. Ze bekende me dat weliswaar ooit, dat ze nogal aan ons moest wennen, maar toen ik even doorvroeg, bleek dat ze helemáál niet aan ons hoefde te wennen. Ze moest aan míj wennen. Aan míj. Al dat cynisme, heel de tijd die ironische stem: ze kon niet goed inschatten wat ik nu wel en niet meende. Daar schrok ik een beetje van, die bekentenis. Ik keek ervan op. Ik zei af en toe, als ze weer eens een dag bij ons zat: ‘Let maar op, vanavond zal ik een stukje over jou schrijven.’ Maar dat deed ik nooit. Toen ze er een keer naar vroeg, zei ik: ‘Zeg eerst maar eens iets interessants.’ Maar die opmerking viel niet goed, geloof ik.

Afgelopen vrijdagmiddag gingen zij en ik samen koffiedrinken. Dat leek haar immers een leuk idee, want na een halfjaar mag je toch wel eens een normaal gesprek met elkaar voeren. Mij leek het ook een leuk idee, en aangezien collega B. in het verre Nieuw-Zeeland een beetje kayakt, bergen beklimt en geld bij paardenraces verliest (althans, zo stel ik me dat voor), nam ik haar mee naar het koffiepaleis waar het joch met de pet werkt. Als ik eenmaal weet dat iemand nerveus of onzeker wordt in mijn bijzijn, maak ik het er doorgaans niet beter op. Zo sprak ik op de heenweg: ‘Als we nu eindelijk eens serieus met elkaar gaan praten, moet je maar niet meer nerveuzig worden.’ En ook zei ik, want soms doe ik er gewoon een schepje bovenop: ‘Dat mag pas als we dat spel doen wie het eerst gaat lachen als we elkaar recht in de ogen kijken.’

In het koffiepaleis zelve bleek het joch met de pet afwezig. Ook waren de hippe chesterfields bezet. Wat een domper. Wat een sof. Maar ik hield de moed erin. Ik bestelde een dubbele caffe latte, zij een dubbele cappuccino, en we namen plaats aan de lange houten tafel. Doorgaans zitten daar mensen kranten te lezen, nu echter zat er niemand, dus wie hield ons tegen? Eerst ging ze tegenover me zitten, want dat wil nog wel eens helpen bij een serieus gesprek, maar al snel zat ze naast me, omdat ze niets verstond van wat ik zei. Ze vertelde me dat ze momenteel iets van een Franse surrealist las, zij het met veel tegenzin. Ik zei haar dat ik eindelijk eens het boek van de Franse cynicus moest lezen dat ze me onlangs cadeau gaf voor mijn verjaardag, en waarin ze schreef: ‘Een jaar ouder betekent hopelijk niet ook een jaar cynischer...’, wederom woorden waarvan ik even opkeek, maar dat bracht ik vrijdagmiddag maar niet ter sprake.

Ze vroeg me naar meisjesnamen die ik mooi vind. ‘De namen van meisjes op wie ik verliefd was, vond ik altijd heel mooi,’ zei ik haar. Daarna mijmerde ik nog iets als: ‘Ik ben een leven lang altijd maar verliefd geweest.’ Zij vroeg: ‘Hoe kun je nu altijd verliefd zijn geweest?’ ‘Je moet het willen,’ sprak ik, of nee, dat dácht ik – nu ja, weet ik veel, ik geef die gesprekken hier niet letterlijk weer, jullie – de lezers – komen er wel uit. ‘Ik vond altijd vele meisjes leuk, moet je weten. En nog steeds wel. Zolang ze, bijvoorbeeld, maar van katten houden, en niet langer zijn dan ik. Maar: alles in het nette.’ Intussen besefte ik dat de voornamen van al die verloren en onbeantwoorde liefdes eigenlijk helemaal zo mooi niet waren. Dat ik weliswaar verliefd was geweest op meisjes met diverse voornamen, maar dat die namen me nu, jaren later, niet meer zo aantrekkelijk voorkwamen. Sommige vond ik bij nader inzien zelfs weerzinwekkend. ‘Ik denk dat ik misschien niet zo kritisch was,’ zei ik, amper hoorbaar. Toen ze knikte vervolgde ik opgewekt: ‘Maar ik vind jouw naam ook heel leuk, hoor.’ ‘Ik niet,’ zei ze stellig, ‘ik vind mijn voornaam niet leuk. En katten, die vind ik ook niet leuk.’

De oplettende lezer zegt nu mogelijk: dat serieuze gesprek van jullie, werd dat nu nog wat? Het is maar goed dat ik me dat op dat moment zelf geenszins afvroeg. Sommige vragen komen pas op als je er een stukje over schrijft op een weblog. Ik dronk nog wat van mijn caffe latte (althans, zo zeg ik dat in een stukje, ter afwisseling, want weet ik veel of ik precies op dát moment een slok nam) en vroeg haar: ‘Hoe heet jouw vriend ook weer?’ Ze vertelde me zijn voornaam. ‘Aha... en is dat met 1 of met 2 t’s?’ Met 1, zo zei ze. ‘Wat grappig. Ik ben sinds enige tijd bevriend met een meisje, en haar eerste vriendje heette net zo. En zijn naam is ook met 1 t.’ Ze keek me intussen aan met een waar-gaat-dit-nu-helemaal-heen?-blik, maar ik ging doodleuk verder: ‘En die jongen, dat vriendje dus, die leek sprekend op mij.’ Voor even was ik afgeleid, en ik tuurde wat onbestemd in de verte, maar haar woorden ‘Eh... die van mij lijkt niet op jou, hoor’ brachten me weer terug naar waar ik was: in het koffiepaleis, met onze oproepkracht en twee koppen koffie. Al dat in de verte turen, en dan nog onbestemd ook, dat moest werkelijk maar eens afgelopen zijn.

De tijd zat erop. We begroetten de 'barista's' van het koffiepaleis. Ik hield de deur voor haar open en ze zei me: 'Hoe galant. Maar jij bent altijd galant, niet?' En terwijl we terugliepen, of beter nog: toen we alweer op de Grote Uitgeverij waren, of nóg beter nog: zojuist, enkele uren geleden, bedacht ik: ik zal nu eindelijk eens een stukje aan haar wijden, zoals ik een halfjaar geleden al beloofde. Maar waaróver dan toch?

V.

woensdag 4 januari 2006

FRAGMENT UIT EEN NOG ONGETITELDE NOVELLE

Ik behoor niet tot de mensen die ik bekijk. Die ik observeer. Ik ben er simpelweg niet. Ik ga op in de massa. Er is niets bijzonders aan mij. Ik heb geen naam, ik heb geen gezicht, ik ben een gestalte. Ik ben de persoon die ’s morgens de deur voor je openhoudt in de tram. Ik bezorg je krant, je pizza, je online bestelde dvd’s. Ik tap je biertje, verzorg je maaltijd, doe je zojuist gekochte broek in een tasje. Degene die je hondje in het park vriendelijk aait, je waarschuwt voor een alcoholcontrole, je jas aanneemt en je een nummertje ervoor teruggeeft, dat ben ik. Op feestjes zul je mij niet aantreffen. Ik ben niet diegene waarvan iemand zich zal afvragen: ‘En wie is dát nou?’. Ik ben als een bromfietskoerier. Ik scheur langs je heen, lever iets af en ben weer weg.

Ik kwam ooit een jongen tegen die foto’s nam van raamhoeren. Stiekem. Ik vroeg hem waarom hij dat deed. Hij vertelde me dat hij niet zeker wist of er mensen waren die foto’s hadden van die raamhoeren. Van die meisjes. Of er ouders waren, of vrienden of geliefden, die foto’s hadden van die meisjes. Die de foto’s lieten zien aan anderen en dan daarbij zouden zeggen: ‘Dit is nu Maureen. Zij is mijn vriendin. Met haar ga ik trouwen.’

‘Wij met onze dochter voor de Taj Mahal in Las Vegas.‘
‘Laura en ik tijdens de verbouwing van het huis.’

Hij had wel foto’s. Honderden. Duizenden. Sommige haarscherp, dan weer blurrig, een moment van beweging en haast. Hij had het idee dat die meisjes niet voor niets hadden geleefd. Er was bewijs dat zij er geweest waren. Hij verleende ze een dienst. Hij vond dat iedereen recht had op een herinnering.

Die jongen had een gevoel voor empathie zoals ik ze nooit ben tegengekomen bij mensen die door de maatschappij als edelmoedig opgevat worden. Artsen Zonder Grenzen. Vrijwilligers. Maatschappelijk werkers. Brandweermannen op 11 september. Dat zijn mensen die hun werk doen. Het is hun baan. Ze krijgen daar geld voor. Het is zichtbaar.

Onzichtbaar werk. Dat is wat die jongen deed. Dat is wat ik doe. Noem me een raadgever. Noem mij een profeet. Noem mij een vriendelijke parasiet. Noem mij een goedaardig gezwel. Ik geef lessen, ik deel levens in, ik heb het beste met je voor. Vertrouw me. Ik weet waarover ik praat.


N.

zondag 1 januari 2006

ACHTERTUIN

Gelukkig nieuwjaar, vrienden, vriendinnen, fans & groupies! Niels en ik wensen je alle goeds toe in 2006, en dat in overvloed.

Om het jaar meteen lekker fris & opgeruimd te beginnen: zojuist heb ik hier eens flink schoongemaakt. Want ik vind het altijd maar storend als ik thuiskom van een paar dagen vakantie en moet constateren dat een groep onbevoegde kleuters onze achtertuin als een openbaar toilet heeft gebruikt (en ze hebben meteen maar even, onzindelijke dwazen die ze zijn, de tuinen van een paar vriendinnen besmet). Als je even weg bent, dan durven ze wel, de apen. Niettemin: even stoffer en blik erbij, een dweil, een bezem, en de site ziet er weer puik uit.

Voor alle duidelijkheid: het Vrije Woord ligt aan banden bij Niels en Vincent. Hier heerst censuur. Wie hier comments plaatst, heeft rekening met ons te houden, en moet niet achteraf komen snotteren dat zijn teksten zomaar worden verwijderd.

Wie ons niet respecteert, ranselen we de tempel uit.

V.