NIELS EN VINCENT BESTAAN 10 JAAR

woensdag 26 januari 2005

THIS IS BLUES POWER!

‘Man, wat zie jij er somber uit.’
‘Somber? Nee... eerder vermoeid, denk ik. Niet somber.’
‘Voel je je wel goed dan?’
‘Mwoh. Dit weekend leek ik behoorlijk verkouden te worden. Met hoesten en zakdoeken en keelsnoepjes en al. Maar maandag was ik weer beter, hoor. Ik word alleen in weekends ziek.’
‘Hm. En je werk?’
‘Zullen we het gewoon even niet over m’n werk hebben?’
‘Sorry hoor. Ik vraag het maar. Je schrijft hier de laatste tijd ook zo weinig. Je lijkt Niels wel.’
‘Ik weet het. Het komt er steeds niet van. Er komen dingen tussendoor. Halve verkoudheden. Verjaardagen. Manuscripten. Etentjes met mijn sterauteurs.’
‘Sterauteurs? Wie dan?’
‘Gisteren at ik met sterauteur Walter en sterauteur Niels. We bestelden alledrie de saté, als je het echt per se allemaal wilt weten.’
‘Drie saté dus?’
‘Ja. En ik zag een meisje aan een ander tafeltje en ik zei tegen Niels: “Is dat niet San van Zoete Meisjes?” En Niels zei: “Ja, ik denk het wel.” Maar we durfden het allebei niet te vragen.’
‘En nu zul je het dus nooit weten?’
‘Ik mailde haar vandaag, en ik vroeg of zij het was. “Ja, dat was ik,” schreef ze.’
‘Aha. En verder?’
‘Verder... tjonge... vandaag was er een amusant intermezzo met mijn sterauteur Janneke.’
‘Toe maar. Jij hebt alleen maar sterauteurs onder je hoede, hè?’
‘Ja, zo zou je het kunnen zeggen.’
‘En je eigen boek dan? Komt dat er nog eens van? Moest jij ook niet eens een sterauteur worden?’
‘Ik heb een fulltime baan, hoor. Ik krijg die site niet eens fatsoenlijk gevuld.’
‘Je mag inderdaad wel wat meer stukkies schrijven hier.’
Dit is toch een stukkie? Deze dialoog is toch een stukkie?’
‘Als jij dit een stukkie wilt noemen...’
‘Zo noem ik het. En dan nog iets...’
‘Wat?’
‘In de trein probeerde ik een manuscript te lezen. Van een roman van een vriend van me. Een sterauteur van iemand anders, zeg maar. En de man tegenover me, een of andere oude mummie, bleef maar tegen me praten. Die man moest en zou met mij praten. En ik maar proberen te lezen. En die man maar doorpraten. En maar vragen of dit de trein naar Dordrecht was. En wat ik moest met die stapel papier op m’n schoot. En wat voor studie ik had gedaan. En of ik daar nou “profijt” van had. En wat voor werk ik dan deed. En ik wilde snauwen: “Zullen we het daar eens even niet over hebben, oude man?”, maar ik deed het niet. Ik bleef vriendelijk glimlachen en beleefd antwoorden. En hij zag de dopjes in mijn oren. Van mijn iPod. “Heb je een bandje bij je?” vroeg hij. “Ja,” zei ik. “Zware muziek?” “Nee hoor, geen zware muziek.” En ik dacht: ik moet ergens anders gaan zitten, ik moet hier weg, en deze oude man wil ik nooit meer zien. En meteen daarna dacht ik: misschien heeft hij niemand meer om mee te praten. Hij is misschien eenzaam. Of hij is stervende. Of hij heeft al zijn vrienden en kennissen al zijn leven uit gepraat. Hij reist waarschijnlijk nooit met de trein, en nu het er eens van komt, wil hij een praatje maken.’
‘Maar jij had geen zin in een praatje?’
‘Ik had geen zin een praatje. Dit gesprek begint me overigens ook knap te vervelen.’
‘Weet je zeker dat je alleen vermoeid bent? En niet ook een beetje somber?’
‘Zullen we het daar binnenkort eens over hebben?’

V.

0 Comments:

Een reactie plaatsen



<< Home